ECLI:NL:HR:2006:AU8098
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- G.J.M. Corstens
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat particuliere beleggers onder publiek vallen in Wet toezicht kredietwezen 1992
In deze strafzaak heeft het Hof bewezen verklaard dat verdachte deelnam aan een criminele organisatie die bedrijfsmatig op termijn opvorderbare gelden van het publiek aantrok in strijd met art. 82 van Pro de Wet toezicht kredietwezen 1992 (Wtk 1992). De Hoge Raad bevestigt dat het begrip "publiek" in deze wet niet ziet op professionele marktpartijen, maar juist op particuliere beleggers, ook indien zij aanzienlijke bedragen hebben ingelegd.
Het Hof had benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen tot schadevergoeding, omdat deze vorderingen niet van eenvoudige aard waren en vragen opriepen over causaliteit, hoogte en eigen schuld. De Hoge Raad oordeelt dat dit oordeel niet onjuist of onbegrijpelijk is, mede gelet op het grote aantal benadeelde partijen en de complexiteit van de vorderingen.
De Hoge Raad wijst op de parlementaire geschiedenis van de Wtk 1992, waarin is aangegeven dat professionele marktpartijen geacht worden zelf de financiële soliditeit van kredietinstellingen te beoordelen en daarom niet onder de bescherming van art. 82 Wtk Pro vallen. De vrijstellingsregeling voor opvorderbare gelden van meer dan honderdduizend gulden was op het moment van de feiten vervallen, wat de kwalificatie van beleggers als publiek ondersteunt.
Het beroep van verdachte wordt verworpen, waarmee het arrest van het Hof in stand blijft. De Hoge Raad bevestigt hiermee de uitleg van het begrip "publiek" en de niet-ontvankelijkheid van benadeelde partijen in complexe vorderingen binnen strafprocedures.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; verdachte blijft veroordeeld en benadeelde partijen zijn niet-ontvankelijk in hun vorderingen.