Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 4 februari 2020
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
Roerende zaken
Rekeningen
3. Indien de verdeling van een gemeenschappelijk goed wordt gevorderd, kan iedere partij verlangen dat ook de andere gemeenschappelijke goederen en de voor rekening van de gemeenschap komende schulden in de verdeling worden begrepen, onverminderd het bepaalde in artikel 179 Boek Pro 3 Burgerlijk Wetboek.
Grief 1strekt ten betoge dat de rechtbank in rov. 4.10 van het bestreden vonnis ten onrechte heeft beslist dat artikel 3.2 van de samenlevingsovereenkomst niet zo kan worden begrepen dat, door de enkele omstandigheid dat een deel van het privévermogen van partijen op een gemeenschappelijke rekening werd gestort of dat de tenaamstelling van een (vermogens)rekening wijzigde, de gelden op de gemeenschappelijke rekeningen van partijen gemeenschappelijk zijn geworden. Kort gezegd voert de vrouw hiervoor aan dat partijen bij het opstellen van de samenlevingsovereenkomst de intentie hebben gehad, met betrekking tot onder andere de bestaande en toekomstige saldi op de gemeenschappelijke bankrekeningen, een situatie te laten ontstaan die vergelijkbaar is met een huwelijk in gemeenschap van goederen. Dit blijkt volgens de vrouw ook duidelijk uit de bepalingen van de samenlevingsovereenkomst, in het bijzonder artikel 3.2. Verder voert de vrouw aan, dat anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, uit de samenlevingsovereenkomst niet kan worden afgeleid dat artikel 3.2 slechts betrekking heeft op het voeren van een gemeenschappelijke huishouding. De conclusie van de vrouw is dat de stortingen op de gemeenschappelijke bankrekeningen van partijen, die zijn gedaan na de totstandkoming van de samenlevingsovereenkomst, op grond van artikel 3.2 van deze overeenkomst aan ieder van partijen voor de onverdeelde helft toekomen, ongeacht de herkomst van de stortingen en ongeacht of de gemeenschappelijke bankrekeningen bestemd waren voor het voeren van een gemeenschappelijke huishouding.
grief 2komt de vrouw op tegen de beslissing van de rechtbank in rov. 4.11 van het bestreden vonnis dat, nu de vrouw de hoogte van de door de man gestelde vergoedingsrechten niet heeft betwist, vast staat dat de man een vordering van € 118.855,- heeft op de gemeenschap. Volgens de vrouw bedraagt het vorderingsrecht van de man slechts € 20.532,-, aangezien alleen dit bedrag niet van een gemeenschappelijke bankrekening is betaald maar van een privérekening van de man.
Grief 3heeft betrekking op het verjaringsverweer van de vrouw ten aanzien van de door de man ingeroepen vergoedingsrechten, welk verweer door de rechtbank in rov. 4.14 van het bestreden vonnis is verworpen. De rechtbank heeft daartoe overwogen, dat de vrouw heeft gesteld dat de vergoedingsrechten van de man al ten tijde van de samenleving zijn ontstaan, dat de man terecht een beroep doet op artikel 6 lid 1 van Pro de samenlevingsovereenkomst waaruit volgt dat partijen zijn overeengekomen dat zij geen verdeling van een gemeenschappelijk goed kunnen vorderen zolang de samenleving voortduurt, dat nu partijen op 24 mei 2017 de samenleving hebben beëindigd de vergoedingsrechten pas op dat moment opeisbaar waren, zodat van verjaring volgens de rechtbank geen sprake is. De vrouw voert hiertegen aan dat het in dit geval niet gaat om de verdeling van een gemeenschappelijk goed maar om een vergoedingsrecht dat tijdens de samenleving is ontstaan en tijdens de samenleving al aan verjaring onderhevig is. De vordering van de man is opeisbaar geworden in mei 2010 op het moment dat de vermogensrekening op beider naam werd gesteld en daarmee gemeenschappelijk vermogen werd, aldus de vrouw. Gelet op de verjaringstermijn van vijf jaar op grond van artikel 3:307 BW Pro, betoogt de vrouw dat de vordering van de man is verjaard.
Grief 4heeft betrekking op de vordering van de vrouw tot verdeling van het tegoed van de op beider naam staande ING-bankrekening eindigend op nummer [volgt nummer] (verder: de betaalrekening). De rechtbank heeft deze vordering van de vrouw afgewezen, daarbij vooropstellende dat uit de samenlevingsovereenkomst volgt dat partijen beoogd hebben elkaar de onverdeelde helft over te dragen van het saldo op gemeenschappelijke bankrekeningen die in gebruik waren om de kosten van de gemeenschappelijke huishouding te voldoen (rov. 4.23), en voorts overwegende dat tussen partijen vast is komen te staan dat de betaalrekening geen gemeenschappelijke rekening betreft die ten tijde van het indienen van de vordering van de vrouw voor het voeren van de gemeenschappelijke huishouding is gebruikt, zodat zij niet gerechtigd is tot de onverdeelde helft van het te verdelen saldo (rov. 4.24).
incidentele appelkomt de man met drie grieven op tegen het bestreden vonnis.
grief 1voert de man aan dat de rechtbank bij de waardering van de gemeenschappelijke woning van partijen aan de [adres] te [plaatsnaam] ten onrechte geen acht heeft geslagen op de marktwaarde van de woning van € 510.000,- die op 21 maart 2017 is vastgesteld door makelaarskantoor [Naam Makelaar] te [plaatsnaam] , maar is uitgegaan van de waarde die zal volgen uit een nieuwe taxatie uit te voeren door hetzelfde makelaarskantoor binnen een maand na het bestreden vonnis (rov. 4.4 bestreden vonnis). De waarde van de woning is naar aanleiding daarvan op 7 januari 2019 door makelaarskantoor [Naam Makelaar] te [plaatsnaam] vastgesteld op € 590.000,-.
grief 2gerichte klacht tegen de afwijzing van de door de man gevorderde wettelijke rente over zijn vordering op de vrouw van € 87.771,50 in rov. 4.12 van het bestreden vonnis, zal het hof verwerpen omdat de rechtbank met toepassing van artikel 6:119 lid 1 BW Pro terecht heeft overwogen dat de vrouw niet in verzuim is zolang het aandeel van de vrouw in de woning niet is overgedragen aan de man en verrekening tussen partijen niet heeft plaatsgevonden.
grief 3bestrijdt de man het oordeel van de rechtbank in rov. 4.18 van het bestreden vonnis dat de auto van het merk [De Auto] op grond van artikel 3 lid 1 van Pro de samenlevingsovereenkomst gemeenschappelijk bezit is, dat de man geen vergoedingsrecht toekomt ter zake van deze auto, en dat de man wegens overbedeling de helft van de waarde van de auto van € 20.100,- aan de vrouw dient te betalen.
Beslissing
- dat de woning aan de [adres] te [plaatsnaam] in de verdeling zal worden betrokken tegen de waarde die zal worden bepaald door makelaarskantoor [Naam Makelaar] te [plaatsnaam] (rov. 5.2);
- dat de man uit hoofde van toedeling van de [De Auto] wegens overbedeling wordt veroordeeld tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 10.050,- (rov. 5.6);
- dat de woning aan de [adres] te [plaatsnaam] in de verdeling wordt betrokken tegen een waarde van € 510.000,-;
- dat de man uit hoofde van toedeling van de [De Auto] niets is verschuldigd aan de vrouw;