ECLI:NL:HR:2006:AV0655

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 april 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R05/112HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:252 BWArt. 1:253c lid 1 BWArt. 1:253e BWArt. 6 lid 1 EVRMArt. 8 lid 1 EVRM
Verwijzingen
7 uitgaand · 6 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning gezamenlijk gezag aan ongehuwde ouders en recht op toegang tot de rechter

In deze zaak staat centraal de vraag of de regel in art. 1:252 BW Pro, die bepaalt dat gezamenlijk gezag over een kind van ongehuwde ouders alleen op gezamenlijk verzoek kan worden toegekend, een ongeoorloofde beperking vormt van het recht van de vader op toegang tot de rechter zoals gewaarborgd in art. 6 lid 1 EVRM Pro en zijn recht op uitoefening van ouderlijke macht zoals bedoeld in art. 8 lid 1 EVRM Pro.

De vader had bij de rechtbank Utrecht verzocht om gezamenlijk gezag over zijn minderjarige zoon, maar het hof Amsterdam verklaarde hem niet-ontvankelijk in dit verzoek. De Hoge Raad verwijst naar zijn eerdere arrest van 27 mei 2005, waarin werd geoordeeld dat de vader ook zelfstandig gezamenlijk gezag kan verzoeken en dat de moeder het gezag dan voortaan gezamenlijk met de vader uitoefent.

De Hoge Raad ziet geen reden om van dit eerdere oordeel terug te komen en vernietigt daarom de beschikking van het hof Amsterdam. De zaak wordt verwezen naar het gerechtshof te 's-Gravenhage voor verdere behandeling. Hiermee wordt bevestigd dat de vader niet onterecht in zijn recht op toegang tot de rechter en uitoefening van ouderlijke macht mag worden beperkt.

De beslissing is genomen door de vice-president en vier raadsheren, en in het openbaar uitgesproken door raadsheer Bakels op 28 april 2006.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof Amsterdam en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling van het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag.

Uitspraak

28 april 2006
Eerste Kamer
Rek.nr. R05/112HR
JMH/RM
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De vader],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. L. van Hoppe,
t e g e n
[De moeder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 6 september 2004 ter griffie van de rechtbank te Utrecht ingediend verzoekschrift heeft verzoeker tot cassatie - verder te noemen: de vader - zich gewend tot die rechtbank en onder meer verzocht te bepalen dat zowel hij als verweerster in cassatie - verder te noemen: de moeder - voortaan gezamenlijk als ouders worden belast met het gezag over [de zoon], geboren uit een relatie van partijen op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats].
De moeder heeft het verzoek bestreden.
De rechtbank heeft bij beschikking van 15 december 2004 de vader ontvankelijk geoordeeld in zijn verzoek en dit toegewezen.
Tegen deze beschikking heeft de moeder hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.
Bij beschikking van 23 mei 2005 heeft het hof de bestreden beschikking vernietigd, de vader niet-ontvankelijk verklaard in zijn inleidend verzoek en het meer of anders verzochte afgewezen.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de vader beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De moeder is in cassatie niet verschenen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking van het gerechtshof te Amsterdam en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In deze zaak, waarin kan worden uitgegaan van de feiten die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2, gaat het om dezelfde vraag als die welke aan de orde was in de beschikking van de Hoge Raad van 27 mei 2005, nr. R04/088, NJ 2005, 485. Die vraag luidt of de in art. 1:252 BW Pro besloten liggende regel dat de rechter het gezamenlijk gezag over een kind van ouders die niet met elkaar gehuwd zijn (geweest) en die nimmer het gezag over hun kind gezamenlijk hebben uitgeoefend, slechts op gezamenlijk verzoek van de ouders en niet enkel op verzoek van de vader kan toekennen, een ongeoorloofde beperking is van het door art. 6 lid 1 EVRM Pro aan de vader gegarandeerde recht op toegang tot de rechter ter vaststelling van zijn aan art. 8 lid 1 EVRM Pro ontleende recht op "the excercise of parental rights".
3.2 In die beschikking heeft de Hoge Raad geoordeeld (rov. 3.5) "dat in overeenstemming met art. 6 lid 1 EVRM Pro art. 1:253c lid 1 BW aldus moet worden uitgelegd dat de vader niet alleen om toekenning van eenhoofdig, maar ook van gezamenlijk gezag over het kind kan verzoeken, en dat art. 1:253e BW aldus moet worden uitgelegd dat, indien het verzoek van de vader ingevolge art. 1:253c lid 1 BW tot toekenning van gezamenlijk gezag over het kind wordt ingewilligd, dit tot gevolg heeft dat, indien de moeder het gezag tot dusverre alleen uitoefende, zij dit voortaan gezamenlijk met de vader uitoefent."
3.3 De Hoge Raad ziet geen aanleiding van dit oordeel terug te komen. Het middel, dat onder verwijzing naar de hiervoor genoemde beschikking betoogt dat het hof de vader ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in diens verzoek om gezamenlijk gezag, is dus gegrond.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 23 mei 2005;
verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het gerechtshof te 's-Gravenhage.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren E.J. Numann, J.C. van Oven, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 28 april 2006.