ECLI:NL:HR:2006:AX1665
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- G.J.M. Corstens
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid en rechtsmiddelen bij vordering tot tenuitvoerlegging wegens niet-naleving bijzondere voorwaarde
In deze zaak stond centraal de vraag welke rechter bevoegd is om een vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf te behandelen indien sprake is van niet-naleving van een bijzondere voorwaarde. De verdachte was veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden. De officier van justitie diende een vordering tot tenuitvoerlegging in wegens niet-naleving van een bijzondere voorwaarde.
De Hoge Raad oordeelde dat op grond van artikel 14g, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht alleen de rechter die de bijzondere voorwaarde heeft opgelegd bevoegd is om deze vordering te behandelen. De wet voorziet niet in een mogelijkheid om deze behandeling te voegen bij een nieuwe strafzaak. Tevens is op grond van artikel 14j, eerste lid, Wetboek van Strafrecht een beslissing tot tenuitvoerlegging wegens niet-naleving van een bijzondere voorwaarde niet aan enig rechtsmiddel onderworpen.
De rechtbank was bevoegd omdat zij de bijzondere voorwaarde had opgelegd en de vordering tot tenuitvoerlegging toewijst. Het hof verklaarde het hoger beroep van de verdachte tegen deze beslissing niet-ontvankelijk. De Hoge Raad bevestigt deze beslissing en wijst het cassatieberoep af, ook al was de beslissing abusievelijk opgenomen in een uitspraak over een andere strafzaak.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat tegen de beslissing tot tenuitvoerlegging wegens niet-naleving van een bijzondere voorwaarde geen rechtsmiddel openstaat.