ECLI:NL:HR:2006:AX9709
Hoge Raad
- Cassatie
- H.A.M. Aaftink
- W.A.M. van Schendel
- F.B. Bakels
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing minderjarig kind
De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de kinderrechter om de minderjarige dochter van verzoekster onder toezicht te stellen en machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing. De kinderrechter stelde de dochter onder toezicht en verleende een machtiging tot uithuisplaatsing voor een periode van drie maanden, later verlengd tot zes maanden. Verzoekster, de moeder, stelde hiertegen hoger beroep in bij het gerechtshof, dat de beschikking van de kinderrechter bekrachtigde.
De moeder stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De advocaat-generaal adviseerde tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep wegens termijnoverschrijding en het ontbreken van belang. De Hoge Raad volgde dit advies en verklaarde het cassatieberoep niet-ontvankelijk omdat de termijn van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing inmiddels was verstreken, waardoor de moeder geen belang meer had bij het beroep.
De beslissing werd genomen door de raadsheren Aaftink, van Schendel, Bakels en uitgesproken door Numann op 1 september 2006. Er werd geen inhoudelijke beoordeling van de zaak gegeven vanwege de niet-ontvankelijkverklaring.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van belang na het verstrijken van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsingstermijn.