ECLI:NL:HR:2006:AY0139
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- J. de Hullu
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt afwijzing ontnemingsvordering bij ontbreken bewezenverklaring
In deze zaak stond een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel centraal, ingesteld tegen een betrokkene. Het hof had de ontnemingsvordering afgewezen omdat in het vonnis van de rechtbank geen bewezenverklaring was opgenomen, wat het hof als een noodzakelijke voorwaarde zag voor toewijzing van de ontnemingsvordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
De Advocaat-Generaal stelde in zijn conclusie dat deze opvatting onjuist was en dat het hof de uitspraak moest vernietigen en de zaak moest terugverwijzen naar het hof voor een nieuwe beoordeling. De Hoge Raad volgde deze conclusie en oordeelde dat het ontbreken van een bewezenverklaring in het vonnis van de rechtbank geen beletsel vormt voor toewijzing van de ontnemingsvordering.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof en verwees de zaak terug naar het Gerechtshof te Leeuwarden om het hoger beroep opnieuw te behandelen en af te doen. Hiermee werd bevestigd dat de ontnemingsvordering ook kan worden toegewezen zonder dat in het vonnis van de hoofdzaak een bewezenverklaring is opgenomen.
Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken op 26 september 2006.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting van de ontnemingsvordering.