In deze zaak gaat het om het beklag van klager tegen de beslaglegging op onroerende goederen, zaken en vorderingen die sinds juni 2011 op grond van art. 94a Sv zijn gelegd in het kader van vervolging wegens overtredingen van de Opiumwet en witwassen.
De rechtbank Den Haag verklaarde het klaagschrift ongegrond omdat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat in de strafzaak of ontnemingszaak een geldboete of ontnemingsmaatregel zal worden opgelegd. De rechtbank motiveerde dat gezien het voorlopige karakter van de beklagprocedure niet vooruitgelopen mag worden op de strafzaak en dat de beslaglegging proportioneel en subsidiair is.
Het cassatieberoep betoogde onder meer dat de rechtbank ten onrechte geen onderscheid maakte tussen voordeel binnen en buiten de gedoogvoorwaarden en dat de motivering van de subsidiariteit van het beslag onvoldoende was. De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank het juiste toetsingscriterium hanteerde, dat het voorlopige karakter van de beklagprocedure meebrengt dat niet uitgebreid getoetst hoeft te worden, en dat het arrest van 2003 inhoudt dat bij overschrijding van gedoogvoorwaarden al het voordeel als wederrechtelijk verkregen moet worden beschouwd.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de beslaglegging aan de vereisten voldoet en dat het klaagschrift terecht ongegrond is verklaard.