De zaak betreft het cassatieberoep tegen de beschikking van de rechtbank Den Haag die het klaagschrift ex art. 552a Sv ongegrond verklaarde, waarin klaagster verzocht om teruggave van beslag op onroerende goederen, zaken en vorderingen die op grond van art. 94a Sv waren gelegd. Deze beslaglegging hing samen met vervolgingen wegens overtredingen van de Opiumwet, gewoontewitwassen en deelneming aan een criminele organisatie in verband met exploitatie van gedoogde coffeeshops.
De rechtbank had geoordeeld dat het niet hoogst onwaarschijnlijk was dat later een strafrechter of ontnemingsrechter aan klaagster een geldboete of ontnemingsmaatregel zou opleggen, en dat het beslag proportioneel en subsidiair was. Het cassatiemiddel betoogde onder meer dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd en geen onderscheid had gemaakt tussen voordeel binnen en buiten de gedoogvoorwaarden.
De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank het juiste toetsingscriterium heeft toegepast, namelijk het voorlopige karakter van de beklagprocedure en het niet vooruitlopen op de strafzaak. Ook is het niet verplicht om binnen de beklagprocedure onderscheid te maken tussen voordeel binnen en buiten de gedoogvoorwaarden, aangezien bij overschrijding van de gedoogvoorwaarden het gehele voordeel als wederrechtelijk verkregen wordt beschouwd. Het middel faalt en het beroep wordt verworpen.