ECLI:NL:PHR:2008:BG2180
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ontnemingsmaatregel wegens medeplegen drugshandel met aangepaste berekening wederrechtelijk verkregen voordeel
In deze zaak stond de ontnemingsmaatregel centraal die was opgelegd aan de veroordeelde wegens medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet, met betrekking tot de inkoop van grote hoeveelheden cocaïne. Het hof had het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op circa €2.119.000 en de betalingsverplichting aan de Staat vastgesteld op €1.197.800, waarbij rekening was gehouden met een opgelegde geldboete van €900.000 en een korting wegens schending van de redelijke termijn.
De veroordeelde stelde in cassatie onder meer dat de pleitnota ontbrak, dat het hof onvoldoende had gemotiveerd dat hij voordeel had genoten uit de bewezenverklaarde feiten, en dat de schatting van het voordeel onvoldoende was onderbouwd. Het Openbaar Ministerie klaagde onder meer dat het hof onterecht het aandeel van de veroordeelde in de financiering van de cocaïne op 15% had gesteld zonder nadere motivering.
De Hoge Raad verwierp deze middelen. Hij oordeelde dat de pleitnota inmiddels bij de stukken was gevoegd, dat het hof terecht aannam dat de veroordeelde mede financier was van de drugstransporten en dat de schatting van het aandeel op 15% niet onbegrijpelijk was. Tevens bevestigde de Hoge Raad dat het hof terecht de geldboete in mindering bracht op het bedrag dat aan de Staat moest worden betaald, gezien de draagkracht van de veroordeelde en de omstandigheden van de zaak.
De Hoge Raad concludeerde dat het hof voldoende gemotiveerd had geoordeeld en dat er geen onjuiste rechtsopvattingen waren toegepast. Zowel het cassatieberoep van de veroordeelde als dat van het Openbaar Ministerie werden verworpen, waarmee het hofarrest in stand bleef.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt het hofarrest en wijst het cassatieberoep van veroordeelde en Openbaar Ministerie af.