ECLI:NL:HR:2006:AY7460
Hoge Raad
- Cassatie
- D.H. Beukenhorst
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- P.C. Kop
- J.C. van Oven
- F.B. Bakels
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens niet te goeder trouw ontstaan en onbetaald laten van schulden
Verzoekster heeft bij de rechtbank een verzoek ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling, welke is afgewezen. Het hof heeft dit vonnis bekrachtigd en geoordeeld dat verzoekster niet te goeder trouw is geweest bij het ontstaan en het onbetaald laten van een deel van haar schulden. Dit omdat zij bewust geld heeft besteed aan activiteiten in Irak, waaronder het financieren van operaties van haar moeder en het ondersteunen van familie via haar echtgenoot.
De Hoge Raad overweegt dat art. 288 lid 2 aanhef Pro en onder b Faillissementswet een facultatieve grond biedt om een verzoek tot schuldsanering af te wijzen indien de schuldenaar niet te goeder trouw is geweest. De beoordeling hiervan vereist een zorgvuldige afweging van alle omstandigheden, zoals aard en omvang van de schulden, het tijdstip van ontstaan, verwijtbaarheid en inspanningen tot voldoening.
In deze zaak is vastgesteld dat verzoekster verwijtbaar heeft gehandeld door prioriteit te geven aan financiële steun aan familie boven het voldoen van schulden in Nederland. Het hof achtte de door verzoekster aangevoerde bijzondere omstandigheden onvoldoende om tot een andere beslissing te komen. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt daarmee de afwijzing van het verzoek tot schuldsanering.
Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens niet te goeder trouw ontstaan en onbetaald laten van schulden.