ECLI:NL:HR:2006:AZ2101
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vrijspraak na waardering bewijsmateriaal in moord- en doodslagzaak
In deze strafzaak stond verdachte terecht voor moord dan wel doodslag op een slachtoffer dat op 1 februari 2003 in Rotterdam dodelijk werd getroffen door een kogel. De rechtbank veroordeelde verdachte tot vijftien jaar gevangenisstraf wegens doodslag. Het hof vernietigde dit vonnis en sprak verdachte vrij, omdat de getuigenverklaringen onvoldoende betrouwbaar waren om het tenlastegelegde bewezen te achten.
De Advocaat-Generaal stelde cassatieberoep in tegen deze vrijspraak. De Hoge Raad oordeelde dat in cassatie niet kan worden onderzocht of de feitenrechter terecht tot vrijspraak is gekomen op basis van zijn waardering van het bewijsmateriaal. De selectie en waardering van bewijs is aan de feitenrechter voorbehouden en behoeft geen nadere motivering, behalve in bijzondere gevallen.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat ook na de wetswijziging van 1 januari 2005 dit uitgangspunt ongewijzigd is gebleven. De motivering van het hof maakte de vrijspraak niet onbegrijpelijk, ook al zou een andere uitleg van de feiten tot een andere bewijsbeslissing kunnen leiden.
Het arrest benadrukt de ruime beoordelingsvrijheid van de feitenrechter bij bewijswaardering en bevestigt de onherroepelijkheid van vrijspraakbeslissingen in cassatie, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de vrijspraak van verdachte wegens onvoldoende betrouwbaar bewijs.