Conclusie
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
BACKGROUND
3.OBLIGATIONS OF SUPPLIER
5.SERVICE FEE
16.RELATIONSHIP BETWEEN PARTIES
service feein rekening bij GmbH die per maand £ 72,595 bedraagt. Naar het oordeel van de Rechtbank zijn in deze
service feede salariskosten van belanghebbende, salariskosten van de CFO en marketing services begrepen. Het Hof heeft in de feiten niets opgenomen met betrekking tot de samenstelling van de
service fee.
Naar het oordeel van de rechtbank moet deze lijn geacht worden ook van toepassing te zijn voor de verdeling van de heffingsbevoegdheid in de onderhavige zaak.
Schedule 2van de MSA, het geval aangezien de salariskosten van belanghebbende zijn opgenomen in de bij GmbH in rekening gebrachte
service fee: [14]
conditio sine qua nonaangemerkt, terwijl de vraag of de loonkosten ‘directly charged’ zijn in het OESO-commentaar van 2017 slechts als één van de beoordelingscriteria wordt beschouwd aan de hand waarvan het werkgeversbegrip wordt ingevuld, aldus het Hof.
service feeen belanghebbendes werkzaamheden of arbeidsbeloning gebleken.
3.Het geding in cassatie
4.Juridisch kader
Het Verdrag Nederland - Duitsland 1959
Organisation for European Economic Cooperation(hierna: OEEC) in de jaren vijftig heeft uitgebracht. Uit onderdeel 6 bij de
Introductionvan het OESO-commentaar is af te leiden dat het OESO-modelverdrag een verlengstuk is van deze eerdere OECC rapporten waarop het onderhavige Verdrag gebaseerd is. [18] Ook uit HR
BNB1999/267 [19] volgt dat bij de uitlegging van het Verdrag niet alleen betekenis toekomt aan het OECC Rapport uit 1958, maar ook aan de toelichting op het OESO-modelverdrag van 1963. Aldus beschouwd kan bij de uitleg van het Verdrag af worden gegaan op hetgeen het OESO-commentaar vermeldt.
Introductiontot het OESO-commentaar ter zake stelt is het Commentaar ‘
of great assistance in the application and interpretation of the conventions’. In dit onderdeel wordt ingegaan op de vraag in hoeverre het OESO-commentaar in onderhavige zaak van toepassing kan worden geacht op het Verdrag.
34. The Committee believes that the changes to the Articles of the Model Convention and the Commentaries that have been made since 1977 should be similarly interpreted.
BNB1992/379 [25] ontleent de Hoge Raad belangrijke aanwijzingen aan het OESO-commentaar. Hoe groot de betekenis van het commentaar is voor de uitlegging van een belastingverdrag, is echter onduidelijk. Deze visie zou gezien die zaak beperkt kunnen zijn tot het OESO-commentaar dat reeds bestond ten tijde van het sluiten van een belastingverdrag. Over de betekenis van het OESO-commentaar voor verdragen die voor de totstandkoming van dat commentaar zijn gesloten, heeft de Hoge Raad zich naar mijn weten tot op heden niet (expliciet) uitgelaten.
BNB1999/267 het volgende over de toepassing van OESO-commentaar door de Hoge Raad:
BNB2016/114 [26] oordeelt de Hoge Raad dat bij de uitleg betekenis toekomt aan het OESO-modelverdrag en de daarbij horende commentaren. Echter, welke betekenis het OESO-commentaar toekomt (posterieur dan wel anterieur) is in het midden gelaten. Marres schrijft over deze ‘jarenlange academische discussie’ in zijn annotatie bij dit arrest het volgende: [27]
supplemementary means of interpretation. Het belang dat de Hoge Raad toekent aan de commentaren op de modelverdragen past volgens mij overigens niet bij een lage status als
supplemementary means of interpretation. Maar dat wil niet noodzakelijkerwijze zeggen dat de Hoge Raad ze als middelen van uitlegging in de zin van art. 31 Verdrag Pro van Wenen beschouwt.
(…)
Wanneer behalve het OESO-commentaar ook de tekst van een artikel in het OESO-modelverdrag wordt gewijzigd, zal dit in het algemeen slechts betekenis hebben voor verdragen die na die wijziging worden afgesloten en die de nieuwe verdragstekst volgen. Zelfs in die gevallen echter kan, onder omstandigheden, worden verdedigd dat het nieuwe commentaar uitleg geeft aan de oude tekst.
lex specialisboven de interpretatieregels van het Verdrag van Wenen [41] (
lex generalis). [42] Op basis van dit artikellid wordt het ongedefinieerde begrip in beginsel uitgelegd volgens het recht [43] van de staat die het verdrag toepast. [44] Hierbij zijn ook synoniemen van de verdragstermen in de nationale wetgeving relevant. [45] Echter, indien de context anders vereist, wordt de betekenis in het nationale recht niet gevolgd.
BNB2003/177: [50]
conflicts of qualification. Het gehanteerde uitgangspunt, zoals weergegeven in het OESO-commentaar op dit artikel, is dat de woonstaat het primaire heffingsrecht heeft over het wereldinkomen van belastingplichtigen en voorkoming (verrekening of vrijstelling) dient te verlenen voor het inkomen dat in overeenstemming met het verdrag in de bronstaat mag worden belast. [54]
The Application of the OECD Model Tax Convention to Partnerships [62] , dat ten grondslag ligt aan het huidige OESO-commentaar op artikel 23A/B OESO-modelverdrag, kan worden afgeleid dat Nederland van mening is dat dit laatste Commentaar geen juridische basis heeft en in strijd met de oorspronkelijke bedoelingen. [63] Echter, deze uitleg is wel in overeenstemming met het effectiviteitsbeginsel zoals besloten in artikel 31 Verdrag Pro van Wenen. [64] Dit beginsel vereist dat een verdrag zoveel mogelijk in overeenstemming met doel en strekking van het verdrag wordt uitgelegd. Het effectiviteitsbeginsel staat niet toe een interpretatie te hanteren die strijdig is met
letter and spiritvan het verdrag. Hierover schrijven Pötgens en De Heer als volgt: [65]
BNB2002/153 een interpretatie die in overeenstemming is met het Nederlandse voorbehoud en in zoverre dus niet in lijn is met het OESO-commentaar. [68] Hierbij dient echter in ogenschouw te worden genomen dat de Hoge Raad niet expliciet aan het in onderdeel 4.30 genoemde voorbehoud refereerde. In de zaak was belanghebbende woonachtig in Nederland en werkzaam in België. Volgens de Belgische belastingwetgeving was sprake van een dienstbetrekking tussen belanghebbende en de Belgische vennootschap. De Hoge Raad oordeelde dat het in het verdrag gedefinieerde begrip ‘dienstbetrekking’ niet diende te worden geïnterpreteerd overeenkomstig de wetgeving van de bronstaat, daar de Nederlandse kwalificatie doorslaggevend was.
contract of service(arbeidsverhouding) en een
contract for services(dienstverleningsovereenkomst). In principe is daarbij de benadering door de bronstaat beslissend: [70]
e.g.substance over form rules) have been developed for the purpose of distinguishing cases where services rendered by an individual to an enterprise should be considered to be rendered in an employment relationship (contract of service) from cases where such services should be considered to be rendered under a contract for the provision of services between two separate enterprises (contract for services). That distinction keeps its importance when applying the provisions of Article 15, in particular those of subparagraphs 2
b)and
c). Subject to the limit described in paragraph 8.11 and unless the context of a particular convention requires otherwise, it is a matter of domestic law of the State of source to determine whether services rendered by an individual in that State are provided in an employment relationship and that determination will govern how that State applies the convention.
integration testworden genoemd, tot een eenduidig oordeel gekomen moeten worden. [71] Onderdeel 8.13 luidt voor zover van belang als volgt:
integration testnaar een arbeidsverhouding wijst die anders is dan de formele overeenkomst, kunnen de in onderdeel 8.14 opgenomen ondergeschikte, niet cumulatieve, criteria vervolgens in aanmerking worden genomen ter beoordeling of inderdaad sprake is van een materiële werkgever: [72]
…), provided that this is in conformity with the arm’s length principle if the two enterprises are associated.
residence Statewas allowed to do that,
double taxationwould arise. In such a situation, the Comm. is clear that the residence State must accept the determination of the State of work as to whether there is an employment and who the employer is. Furthermore, the residence State must grant relief for double taxation, even if under the domestic law of the residence State there is no employment relationship (no. 8.10 OECD MC Comm. on Article 15).
several exceptionsto the
rulethat the residence
State has an obligation to follow the determination of the State of work. The residence State may argue that (1) the context requires that the determination under the domestic laws of the State of work is not to be applied, that (2) there has been an abuse (no. 8.10 OECD MC Comm. on Article 15) or that (3) it interprets the facts differently than the State of work (no. 32.5 OECD MC Comm. on Articles 23 A and 23B). (…) Since the determination of whether there is an employment relationship and with whom there is such a relationship is factual, the residence State may often be in a position to argue that it does not have to follow the determination of the State of work because it disagrees with interpretation of the facts by the State of work. Therefore, it might not be easy to draw a line of where the residence State must follow the determination of the State of work and where it may disagree.
BNB2004/138: [81]
at arm’s length-beginsel behoren neer te slaan. Derhalve is – bij gelieerde uitzendingen – de inlenende Duitse vennootschap de materiële werkgever als de salariskosten op basis van het
at arm’s length-beginsel aan hem kunnen worden toegerekend. [93]
BNB2006/295 expliciet van de hand gewezen. [95] Nederland en Duitsland hanteren zodoende niet dezelfde nationale definitie van het begrip werkgever. Deze verschillende benaderingswijze kan leiden tot interpretatieverschillen ten aanzien van het begrip werkgever in de zin van artikel 15 OESO Pro-Modelverdrag zoals in onderhavige zaak het geval is.
5.Beoordeling middel 1: kwalificatieverschil Nederland en Duitsland
letter and spiritvan belastingverdragen om dubbele heffing te voorkomen (zie onderdelen 4.31 tot 4.33).
lex specialisvan paragraaf 8.10 van het OESO-commentaar. Dit brengt met zich dat bij een dynamisch toepassing van het OESO-commentaar, Nederland wel gehouden zal zijn de Duitse kwalificatie te volgen, met als gevolg dat dubbele belasting heffing wordt voorkomen. Aldus dient beoordeeld te worden of onderdeel 8.10 van het OESO-commentaar 2014 een dusdanige materiële wijziging met zich brengt, dat in dit specifieke geval moet worden afgezien van een dynamische toepassing ervan. Hiervan is mijns inziens geen sprake, daar de verdragsbepaling niet anders wordt uitgelegd door toedoen van onderdeel 8.10. Het beperkt zich tot situaties waarbij als gevolg van kwalificatieverschillen dubbel, dan wel niet, wordt geheven en meent hiertoe een oplossing te bieden, waarbij het de voorwaarden op basis waarvan een inkomensbestanddeel aan een staat kan worden toegewezen, onverlet laat.
at arm’s length-beginsel neerslaan (zie onderdeel 4.57).
6.Beoordeling middelen 2 en 3: werkgeversbegrip artikel 10, lid 2, Verdrag
conditio sine qua nonwordt aangemerkt. Een interpretatie van het verdragsrechtelijke werkgeversbegrip die in overeenstemming is met het OESO-commentaar 2017, vergt dat het vereiste van geïndividualiseerde doorbelasting wordt aangemerkt als één van de criteria aan de hand waarvan het werkgeversbegrip wordt ingevuld, aldus het Hof. [100]
contract of servicetussen belanghebbende en GmbH, dan wel een
contract for servicestussen Limited en GmbH (zie onderdeel 4.36). Belanghebbende betoogt dat ingevolge onderdeel 8.13 van het OESO-commentaar in de kern getoetst dient te worden of de werkzaamheden die belanghebbende ten behoeve van GmbH verricht, een integraal onderdeel vormen van de door GmbH gedreven onderneming. Hierbij is van belang voor rekening en risico van welke vennootschap, GmbH of Limited, belanghebbende de werkzaamheden verricht.
integration testis voldaan en hij zijn werkzaamheden ten behoeve van GmbH heeft verricht in het kader van een arbeidsverhouding met GmbH. Hierbij acht belanghebbende van belang dat het Hof heeft vastgesteld dat hij arbeid heeft verricht ten behoeve van GmbH. [101] Immers, zo voert belanghebbende aan, als sprake zou zijn van een
contract for servicestussen Limited en GmbH, zou men verwachten dat belanghebbende in het kader van die dienstverlening tussen beide vennootschappen, zijn arbeid verricht ten behoeve van Limited.
integration testis voldaan. Immers, ten aanzien van degene die binnen een vennootschap de hoogste functie vervult, geldt bij uitstek dat zijn werkzaamheden een integraal onderdeel vormen van de door die vennootschap gedreven onderneming. Tevens brengt het feit dat belanghebbende de hoogste functie vervult, naar mening van belanghebbende mee dat de door hem verrichte werkzaamheden voor rekening en risico van GmbH komen.
integration testis voldaan, heeft belanghebbende voorts onder meer gesteld dat (i) hij de afdelingen en medewerkers aanstuurt en zij aan hem rapporteren, (ii) hij ten behoeve van GmbH structureel werkzaamheden binnen én buiten Duitsland heeft verricht voor de regio waar GmbH verantwoordelijk voor is, (iii) aan hem een laptop en iPad ter beschikking zijn gesteld door GmbH voor de uitvoering van zijn werkzaamheden, (iv) hij op het kantoor van GmbH werkzaam is, (v) de aan hem toegekende bonus mede afhankelijk is van de door GmbH behaalde resultaten en (vi) zijn salariskosten feitelijk ten laste van GmbH zijn gekomen in de vorm van de aan GmbH in rekening gebrachte
service fee.
integration test. Indien dit wel een juiste rechtsopvatting betreft, dan betoogt belanghebbende dat dit oordeel nadere motivering behoeft.
integration test, acht ik zijn standpunten begrijpelijk. Het Hof is in zijn uitspraak niet zichtbaar ingegaan op de in onderdeel 8.13 van het OESO-commentaar voorgeschreven
integration testwaarvoor de door belanghebbende aangehaalde stellingen van belang kunnen zijn, maar heeft zich beperkt tot de in onderdeel 8.14 omschreven criteria waarbij de gezagsverhouding en de doorbelasting van de arbeidsbeloning belangrijke toetsstenen vormen. Dit is opvallend, daar het Hof wel opmerkt dat dit criterium nadrukkelijk is erkend als een belangrijke beoordelingsfactor in het OESO-commentaar. [103] Zoals ik het OESO-commentaar begrijp, wordt pas aan de criteria van onderdeel 8.14 toegekomen, indien de
integration testwijst op materieel werkgeverschap. Die criteria dienen dan te worden meegewogen bij de beoordeling of GmbH daadwerkelijk materieel werkgever van belanghebbende is (zie onderdelen 4.37 en 4.38).
integration testwijst mijns inziens op materieel werkgeverschap van GmbH. Immers, de werkzaamheden die belanghebbende in hoedanigheid van de hoogste functie uitvoert, lijken bij uitstek integraal onderdeel van de door GmbH gedreven onderneming. Vorenstaande brengt mijns inziens tevens met zich dat de werkzaamheden die belanghebbende ten behoeve van GmbH verricht, voor diens rekening en risico komen.
integration testniet heeft toegepast op de wijze zoals die in het OESO-commentaar wordt voorgeschreven en evenmin heeft gemotiveerd waarom het het niet nodig achtte in te gaan op de door belanghebbende aangevoerde stellingen, acht ik de klacht van belanghebbende gegrond.
integration testhad toegepast. Daar de gezagsrelatie één van de criteria is ter beoordeling van het materieel werkgeverschap, indien de
integration testdaar al op wijst, valt niet uit te sluiten dat het Hof tot een andere weging van de feiten had kunnen komen, welke beter aansluit bij de aard van de functie die belanghebbende bij GmbH bekleedt.
service feedie GmbH betaalt aan Limited rechtsreeks tegenover de vergoedingen voor de door belanghebbende verrichte werkzaamheden voor GmbH staat. [105] Hiervoor is van belang dat een directe relatie bestaat tussen de betaalde
service feeen het loon etc. van belanghebbende. Het gaat dus erom of de
service fee– of een individualiseerbaar deel daarvan – strekt ter vergoeding van de beloningskosten voor aanwijsbare werkzaamheden van belanghebbende, of dat deze een vergoeding vormt voor een pakket van diensten waarvan de kosten en de vergoeding daarvoor niet naar onderscheiden onderdelen kunnen worden geïndividualiseerd.
service fee. Met betrekking tot deze stelling van belanghebbende, oordeelt het Hof dat niet aannemelijk is gemaakt dat er een directe relatie bestaat tussen de door Limited aan GmbH in rekening gebrachte
service feeen belanghebbendes arbeidsbeloning. Naar het oordeel van het Hof is noch uit de MSA, noch uit enig ander stuk, gebleken dat sprake is van enige relatie tussen de
service feeen belanghebbendes beloning. [106]
Schedule 2bij de MSA, waarin is opgenomen dat de betaalde
service feede vergoedingen voor de CEO, CFO en marketing diensten vertegenwoordigt (zie onderdeel 2.3). Nu een vennootschap als GmbH maar één CEO heeft en belanghebbende die functie vervult, kan de MSA dus niet anders zien dan op zijn terbeschikkingstelling. Het feit dat er geen namen staan vermeld in de MSA, maakt niet dat de doorbelasting onvoldoende direct is, aldus belanghebbende.
service feeen de arbeidsbeloning van belanghebbende.
service fee, zou uitgaande van het OESO-commentaar tot gevolg hebben dat niet gesproken kan worden van directe doorbelasting van de arbeidsbeloning. Echter, gelet op het door belanghebbende aangevoerde en hetgeen volgt uit de MSA, is het oordeel van het Hof zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk.