ECLI:NL:HR:2007:AY9203
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- B.C. de Savornin Lohman
- J. de Hullu
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling proces-verbaal en verdediging verdachte in hoger beroep rijbewijszaak
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte die in hoger beroep is veroordeeld voor het rijden zonder geldig rijbewijs. Het hof had de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke hechtenis en een geldboete. De verdachte stelde in cassatie dat het proces-verbaal van de terechtzitting onvoldoende weergaf wat hij ter verdediging had aangevoerd, omdat slechts vermeld stond dat hij het woord voerde zonder inhoudelijke weergave.
De Hoge Raad overwoog dat het proces-verbaal voldoet aan de vereisten van artikel 326 in Pro verbinding met artikel 311, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. De nieuwe regeling van artikel 359, tweede lid, Sv, die op 1 januari 2005 in werking trad, verandert hier niets aan. Bovendien kan in cassatie niet worden onderzocht of de verdachte meer heeft aangevoerd dan in het proces-verbaal is opgenomen, omdat dat een feitelijke beoordeling vergt.
Verder merkte de Hoge Raad op dat van een verdachte zonder raadsman niet redelijkerwijs kan worden verlangd dat hij een pleitnota indient of aantekening verzoekt van zijn verdediging. De verdachte mag erop vertrouwen dat het proces-verbaal de kern van zijn verweren en standpunten weergeeft. Omdat het middel geen grond bood voor cassatie, werd het beroep verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling van het hof blijft in stand.