ECLI:NL:HR:2007:AZ6007
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J.M. Corstens
- J.W. Ilsink
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over toetsing rechtmatigheid verwijderingsbevel bij art. 184 Sr
De zaak betreft een verdachte die op 19 maart 2005 opzettelijk niet voldeed aan een verwijderingsbevel van de burgemeester van Amsterdam, gegeven krachtens artikel 2.6.A lid 2 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) 1994, gericht op een drugsoverlastgebied. De verdachte werd door het hof veroordeeld op grond van artikel 184 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr) wegens het niet opvolgen van dit bevel.
De verdachte had bezwaar gemaakt tegen het verwijderingsbevel, maar op het moment van het hoger beroep was daar nog geen beslissing op genomen. De verdediging voerde aan dat de strafrechter eerst moet vaststellen of het wettelijke voorschrift verbindend is en het bevel rechtmatig is gegeven, zeker zolang de bestuursrechter nog geen onherroepelijke uitspraak heeft gedaan. Tevens werd betoogd dat het bevel niet voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit en dat het bevel een strafrechtelijke vervolging inhoudt in de zin van artikel 6 EVRM Pro.
Het hof oordeelde dat de strafrechter slechts een marginale toetsing mag doen en dat het bevel rechtmatig is zolang de bestuursrechter het niet anders heeft geoordeeld. De Hoge Raad vernietigt dit oordeel en stelt dat de strafrechter verplicht is om zelfstandig te onderzoeken of het wettelijke voorschrift verbindend is en of het bevel rechtmatig is, ook als de bestuursrechtelijke procedure nog loopt.
De Hoge Raad wijst de zaak terug naar het hof voor nieuwe berechting en benadrukt dat de strafrechter gemotiveerd op het verweer moet beslissen. Dit arrest verduidelijkt de verhouding tussen bestuursrechtelijke en strafrechtelijke toetsing bij het niet voldoen aan een verwijderingsbevel.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en verwijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling van de rechtmatigheid van het verwijderingsbevel.