Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Inleiding
jegens een derdeonrechtmatig moet worden geoordeeld.
jegens een derde, niet zijnde de geadresseerde van het besluit, die niet als belanghebbende langs bestuursrechtelijke weg tegen het besluit is kunnen opkomen.
Heesch/Van de Akkeren is ook uitdrukkelijk aanvaard in het
Budinovski-arrest [8] :
Kaveka/Apeldoorn [9] is getracht de Hoge Raad tot een andere opvatting te bewegen met het argument dat de vernietiging van een besluit
erga omneswerkt. Volgens de Hoge Raad brengt die omstandigheid echter niet mee dat een door de bestuursrechter vernietigd besluit jegens een ieder onrechtmatig moet worden geacht:
erga omnesis vernietigd, de burgerlijke rechter dat besluit jegens een partij die als belanghebbende langs bestuursrechtelijke weg tegen dat besluit had kunnen opkomen, maar zulks heeft nagelaten, voor rechtmatig heeft te houden. Als een besluit door de bestuursrechter is vernietigd, doet dat niet jegens een ieder vaststaan dat het betrokken besluit onrechtmatig is [10] . De onrechtmatigheid van het betrokken besluit staat daarmee slechts vast jegens de belanghebbende die het rechtsmiddel heeft ingesteld dat tot de vernietiging heeft geleid. Dat zal eens temeer gelden onder vigeur van het op 1 januari 2013 in werking getreden art. 8:69a Awb, op grond waarvan strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel slechts tot vernietiging leidt, indien deze regel of dit beginsel strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.
tussen dezelfde partijen(art. 236 Rv Pro). Weliswaar is art. 236 Rv Pro op uitspraken van de bestuursrechter niet rechtstreeks van toepassing, maar de Hoge Raad heeft meer dan eens met het gezag van gewijsde vergelijkbare noties op uitspraken van de bestuursrechter toegepast. Zo overwoog de Hoge Raad in de zaak
Van Gog/Nederweert [11] dat de in die zaak aan de orde zijnde uitspraak van de Afdeling
Vulhop/Amsterdam [12] oordeelde de Hoge Raad dat de bindende kracht van de uitspraak van de belastingrechter waarbij een gemeentelijke belastingverordening onverbindend werd verklaard
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1keert zich tegen hetgeen het hof daarover vervolgens in rov. 3.4 heeft overwogen:
“niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden”(art. 6:163 BW Pro). Uit de wetsgeschiedenis laat zich afleiden dat, gelet op doel en strekking van de bepaling [20] , het beschermingsbereik van art. 7:12 lid 1 Awb Pro tot belanghebbenden in de zin van de Awb (en, meer in het bijzonder, de belanghebbende op wiens bezwaar wordt beslist) is beperkt:
“in het bijzonder de rechtsoverwegingen 4.1.2 t/m 4.1.4”bestreden, maar slechts
“voor zover de rechtbank daarin heeft overwogen dat de burgemeester bij zijn besluitvorming over de door [betrokkene 1] aangevraagde vergunning op grond van artikel 3:4 Algemene Pro wet bestuursrecht (Awb) slechts gehouden was om rekening te houden met belangen van personen die als belanghebbende als bedoeld in de Awb bij die besluitvorming moesten worden aangemerkt”(memorie van grieven onder 6). Ook het vervolg van de memorie van grieven bevat geen aanwijzingen dat [verweerster] ter discussie heeft willen stellen dat zij geen belanghebbende is in de zin van de Awb; zo betoogt zij in de memorie van grieven dat het maatschappelijk ongewenst is dat de overheid over een vrijbrief zou beschikken
“om besluiten te nemen die schade veroorzaken bij personen die niet onder de definitie van belanghebbende in de zin van artikel 1:2 Awb Pro vallen”(memorie van grieven onder 7).
“(derde) belanghebbende”(rov. 3.4:
“(…) derde belanghebbenden, zoals [verweerster] (…)”; rov. 3.5:
“[verweerster] is één concrete derde belanghebbende”), zulks terwijl (zeker in een mede door het bestuursrecht beheerst geschil als het onderhavige) alleszins voor de hand ligt dat de rechter, als hij zonder nadere toelichting of verduidelijking spreekt van een (derde-)belanghebbende, met dat begrip doelt op een belanghebbende in de zin van de Awb.
andere, door de Gemeente jegens een niet-belanghebbende als [verweerster] in acht te nemen (zorgvuldigheids)norm impliceert, het geval waarop subonderdeel 1.4 ziet. Uit het bestreden arrest blijkt echter allerminst dat het hof schending van een andere norm dan die van art. 7:12 lid 1 Awb Pro op het oog heeft gehad (zie hiervóór onder 3.4). In dit verband wijs ik nog erop dat het hof in rov. 3.4 de mogelijkheid van een onder omstandigheden ook jegens [verweerster] onrechtmatig te achten schending van art. 7:12 lid 1 Awb Pro (niet uit een andere norm, maar) uit de (volgens het hof ruime) strekking van art. 7:12 lid 1 Awb Pro zelf heeft afgeleid (
“De strekking van deze norm is zodanig ruim, dat niet op voorhand kan worden uitgesloten dat schending van deze norm onder omstandigheden onrechtmatig kan zijn jegens derde belanghebbenden, zoals [verweerster].”).
nietde opsomming van de door het hof relevant geachte omstandigheden die naar het oordeel van het hof,
“bezien in hun onderlinge samenhang, mee(brengen) dat in het onderhavige geval het besluit van 11 augustus 2008 ook onrechtmatig is jegens [verweerster]”(rov. 3.5, eerste volzin).
jegens [verweerster]in acht te nemen verplichting (en zeker niet een verplichting die specifiek op de motivering van de door de burgemeester op het bezwaar van [betrokkene 1] te nemen beslissing betrekking had). Zodanige verplichting vloeit evenmin voort uit de omstandigheid dat (niet [verweerster], maar) [betrokkene 1] zich in de bestuursrechtelijke procedure steeds op het standpunt heeft gesteld dat de burgemeester niet een aan de vergunningverlening verbonden ernstig gevaar voor witwassen aan zijn op grond van de APV te nemen besluit ten grondslag kon leggen en dat in die bestuursrechtelijke procedure de voorzieningenrechter (wiens oordeel niet op de hoofdzaak prejudicieert) twijfel heeft uitgesproken of de burgemeester de juiste weg bewandelde door de weigering van de vergunning op de APV te baseren.
“(u)it de verschillende rechterlijke uitspraken is af te leiden dat aan de Bibob-adviezen geen, althans geen wezenlijke, betekenis kan toekomen in het kader van een toetsing aan art. 1.7 van de APV.”
nietop een Bibob-grondslag heeft doen steunen. De Gemeente heeft volgens het subonderdeel (dat onder meer verwijst naar de memorie van antwoord onder 52) aangevoerd dat zij acht heeft geslagen op vier concrete omstandigheden, te weten (i) het door [betrokkene 1] ingediende onrealistische bedrijfsplan, (ii) irreële omzetverwachtingen, (iii) nauwelijks aanwezige reserves en (iv) de opmerkelijke en vreemde gang van zaken met betrekking tot de eerdere vergunningaanvragen. De Gemeente heeft voorts aangevoerd dat de kennis die uit de Bibob-adviezen volgde, is gebruikt om de achtergrond van de zaak te schetsen en aan te geven wat voor [betrokkene 1] een reden had kunnen zijn de situatie anders voor te spiegelen dan deze werkelijk is.
“De standpunten van partijen nader toegespitst op de vier omstandigheden”), maar heeft geconcludeerd dat
“de vier door verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde omstandigheden (…) onvoldoende (zijn) om tot de conclusie te komen dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet in overeenstemming zal zijn met hetgeen in de aanvraag is vermeld”, zulks
“(o)ok bezien tegen de achtergrond van de in het bestreden besluit geschetste situatie in de prostitutiebranche in het wallengebied, die uit de vier adviezen van het LBB naar voren zou zijn gekomen (…)”; overigens heeft de rechtbank niet uitgesloten dat uit de door de burgemeester genoemde omstandigheden wel een
vermoedenkan worden ontleend dat [betrokkene 1] niet de werkelijke exploitant van de desbetreffende raambordelen zal zijn (zie voor dit een en ander p. 5 van de uitspraak van de rechtbank). Ook de Afdeling heeft in haar uitspraak niet miskend dat de burgemeester zijn weigering niet (rechtstreeks) op de Bibob-adviezen, maar op de door hem genoemde omstandigheden heeft gebaseerd:
“is af te leiden dat aan de Bibob-adviezen geen, althans geen wezenlijke betekenis kan toekomen in het kader van een toetsing aan art. 1.7 van de APV”. Uit de bedoelde uitspraken is niet meer af te leiden dan dat (in het onderhavige geval) de door de burgemeester aangevoerde omstandigheden (ofschoon zij wel een zeker vermoeden konden rechtvaardigen) onvoldoende waren om redelijkerwijs te kunnen aannemen dat de feitelijke toestand niet in overeenstemming zal zijn met hetgeen in de door [betrokkene 1] ingediende vergunningaanvragen is vermeld, en dat zulks niet anders is indien die omstandigheden worden bezien in het licht van de situatie in het Wallengebied zoals die in de bedoelde Bibob-adviezen wordt geschetst. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat de in Bibob-adviezen vervatte informatie meer in het algemeen niet zou kunnen bijdragen aan het oordeel dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke situatie anders zal zijn dan in een vergunningaanvraag wordt geschetst en dat, meer in het bijzonder, van schijnbeheer door de betrokken aanvrager sprake zal zijn. Dat Bibob-adviezen, zoals het hof in rov. 4.7 kennelijk heeft geoordeeld, zijn gericht op een andere toetsing dan die aan art. 1.7 APV, impliceert allerminst dat de in die adviezen vervatte informatie met het oog op toepassing van art. 1.7 APV bij voorbaat iedere betekenis zou missen.
jegens [verweerster]kan worden uitgegaan en dat reeds daarom niet uit een zodanige onrechtmatigheid ook onrechtmatigheid van het primaire besluit
jegens [verweerster]kan worden afgeleid.
nietuit de enkele vernietiging van de beslissing op bezwaar worden afgeleid. De Hoge Raad acht in dat verband het uiteindelijke lot van het primaire besluit beslissend [24] , waarbij bovendien geldt dat een intrekking of herroeping van het primaire besluit slechts dan (volgens de leer van de besluitaansprakelijkheid) onrechtmatigheid van het primaire besluit jegens de betrokken belanghebbende impliceert, als die intrekking of herroeping berust op gronden die de onrechtmatigheid van het primaire besluit impliceren [25] . Omtrent dit laatste heeft het hof niets vastgesteld; weliswaar heeft het hof aangenomen dat het motiveringsgebrek
“kennelijk niet reparabel was, althans feitelijk niet is gerepareerd”, maar uit die omstandigheid, wat daarvan overigens zij, vloeit niet voort dat zich een herroeping of een intrekking zoals hiervoor bedoeld heeft voorgedaan.
jegens [verweerster]zou hebben herroepen door de (door [betrokkene 1]) gevraagde vergunningen alsnog aan haar te verlenen. Het subonderdeel mist daarom in zoverre feitelijke grondslag. Zoals hiervóór (onder 3.30) reeds aan de orde kwam, meen ik overigens dat intrekking of herroeping van een besluit de onrechtmatigheid daarvan niet zonder meer doet vaststaan jegens de belanghebbende die zodanige intrekking of herroeping heeft uitgelokt, laat staan jegens een derde die niet belanghebbende is. In zoverre is de klacht van het subonderdeel gegrond.
subonderdeel 4.3dat, als het hof de onrechtmatigheid van het primaire besluit nog op andere gronden dan het schenden van art. 7:12 lid 1 Awb Pro heeft gebaseerd, zijn oordeel rechtens onjuist, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is. Het subonderdeel wijst erop dat zich uit de uitspraak van de Afdeling geen andere aan het primaire besluit klevende rechtmatigheidsgebreken dan schending van art. 7:12 lid 1 Awb Pro laten afleiden.