Conclusie
middelbehelst de klacht dat het hof in strijd met art. 408 Sv Pro de betrokkene niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak heeft het gerechtshof Den Haag de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen een ontnemingsvordering, omdat het hoger beroep niet binnen de wettelijke termijn van veertien dagen na de uitspraak in eerste aanleg was ingesteld. De raadsvrouw van de verdachte stelde zich op het standpunt dat de appeltermijn pas begon te lopen toen zij bekend werd met het vonnis, omdat zij niet tijdig een afschrift van de dagvaarding en processtukken had ontvangen, wat volgens haar een verzuim van justitie was.
Het hof oordeelde dat de appeltermijn voor de verdachte zelf geldt en dat de betekening van de dagvaarding in persoon aan de verdachte rechtsgeldig was geschied. Dit betekent dat de termijn van veertien dagen vanaf de uitspraak in eerste aanleg is gaan lopen, ongeacht het verzuim jegens de raadsvrouw. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst erop dat het verzuim van art. 51 Sv Pro (oud) geen verontschuldigende werking heeft voor de termijnoverschrijding.
Daarnaast wees de Hoge Raad erop dat zelfs als verstek ten onrechte was verleend in eerste aanleg, de verdachte alsnog de mogelijkheid had om hoger beroep in te stellen en aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn zaak. De klacht dat het hof niet had onderzocht of het aanwezigheidsrecht was geschonden, faalt daarom. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de niet-ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep.
Uitkomst: De verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep wegens overschrijding van de beroepstermijn ondanks verzuim jegens de raadsman.