ECLI:NL:HR:2013:BY4559

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 maart 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12/01977
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 lid 2 FwArt. 67 FwArt. 69 FwArt. 104 FwArt. 126 Fw
Verwijzingen
14 uitgaand · 5 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling procespositie gefailleerde bij curatorovergenomen procedure inzake schikking

In deze zaak stond centraal de vraag of een gefailleerde partij kan zijn in een procedure die door de curator is voortgezet, met name bij een beschikking van de rechter-commissaris tot het aangaan van een schikking. De curator had namens de boedel een verzoek gedaan tot schikking met een schuldeiser, waarna de rechter-commissaris een beschikking gaf. De gefailleerde stelde zich op het standpunt dat hij tegen deze beschikking in hoger beroep mocht gaan.

De Hoge Raad bevestigde dat het recht van hoger beroep tegen een beschikking van de rechter-commissaris op grond van artikel 67 Faillissementswet Pro uitsluitend toekomt aan belanghebbenden die als partij bij die beschikking kunnen worden aangemerkt. In het geval dat de curator een procedure voortzet die betrekking heeft op de voldoening van een verbintenis uit de boedel, neemt de curator de positie van de gefailleerde over. Hierdoor staat de gefailleerde buiten het geding en kan hij niet als partij optreden.

De Hoge Raad wees erop dat het stelsel van de Faillissementswet voorziet in een andere wijze van rekening houden met de positie van de gefailleerde, onder meer via artikel 126 Faillissementswet Pro. Het belang van de boedel staat centraal in de door de curator voortgezette procedure. De rechtbank had de gefailleerde terecht niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen de beschikking van de rechter-commissaris. Het cassatieberoep werd verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de gefailleerde wordt verworpen; hij is niet-ontvankelijk in het hoger beroep tegen de beschikking van de rechter-commissaris.

Uitspraak

15 maart 2013
Eerste Kamer
12/01977
EE/LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[Verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. M.E.M.G. Peletier,
t e g e n
mr. S.H.F. HOPPENBROUWERS in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [verzoeker],
gevestigd te Eindhoven,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: aanvankelijk mr. B.T.M. van der Wiel, thans mr. M.M. Stolp.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] en de curator.
1. Het geding in feitelijke instantie
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de navolgende beschikking in de zaak 09/1032 F van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 3 april 2012.
De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De curator heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:
(i) Op 3 december 2009 zijn [verzoeker], [betrokkene 2] en [betrokkene 3] (hierna:[verzoeker] c.s.) in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. S.H.F. Hoppenbrouwers als curator.
(ii) Deze faillissementen zijn aangevraagd door mr. P.H. Dekker, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [A] B.V. (hierna: mr. Dekker q.q.), waarvan [verzoeker] c.s. bestuurders waren.
(iii) In een door mr. Dekker q.q. tegen [verzoeker] c.s. aangespannen procedure heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 10 september 2008 geoordeeld dat [verzoeker] c.s. op de voet van art. 2:248 BW Pro aansprakelijk zijn voor het tekort in het faillissement van [A] B.V. Bij eindvonnis van 3 november 2010 heeft de rechtbank [verzoeker] c.s., ieder hoofdelijk, veroordeeld tot betaling aan mr. Dekker q.q. van € 4.345.480,--.
(iv) De curator heeft van dit vonnis hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij zich extern laten adviseren over de kans van slagen van dat hoger beroep.
(v) Ter verificatievergadering van 25 januari 2011 is de vordering van mr. Dekker q.q. zowel door [verzoeker] c.s. als door de curator betwist.
(vi) Op 26 januari 2012 heeft de curator aan de rechter-commissaris verzocht hem op grond van art. 104 Fw Pro toestemming te verlenen tot het aangaan van een schikking met mr. Dekker q.q. met betrekking tot de hiervoor onder (iii) genoemde vordering.
3.2 De rechter-commissaris heeft bij beschikking van 7 februari 2012 de curator in zijn verzoek niet-ontvankelijk verklaard, althans de gevraagde goedkeuring verleend.
3.3 De rechtbank heeft [verzoeker] in het daartegen ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Kort gezegd heeft de rechtbank daartoe overwogen dat het recht van hoger beroep tegen de beschikking van de rechter-commissaris alleen toekomt aan degene die bij die beschikking belanghebbende oftewel "partij" was, en dat [verzoeker] niet als zodanig kunnen worden aangemerkt.
3.4 Het middel klaagt onder meer dat de rechtbank heeft miskend dat het recht van hoger beroep als bedoeld in art. 67 Fw Pro niet alleen toekomt aan de door de rechtbank bedoelde belanghebbenden, maar ook aan anderen die door de beschikking van de rechter-commissaris worden bezwaard. Of dat het geval is, aldus de klacht, hangt ingevolge HR 18 april 2008, LJN BC5694, NJ 2008/244 af van het antwoord op de vragen (i) of de rechtspositie van die belanghebbende wordt aangetast door de beschikking van de rechter-commissaris, (ii) of diegene een belang of taak heeft bij het toezicht op het beheer en de vereffening van de boedel en (iii) of diegene, mede gelet op het belang bij een vlotte afwikkeling van het faillissement, andere mogelijkheden ter beschikking staan om zijn bezwaren tegen de beslissing van de rechter-commissaris naar voren te brengen.
3.5 Volgens vaste rechtspraak komt het recht van hoger beroep tegen een beschikking van de rechter-commissaris op de voet van art. 67 Fw Pro uitsluitend toe aan twee categorieën belanghebbenden die dienen te worden aangemerkt als "partij" bij de beschikking, te weten degene die - behorend tot één van de in art. 69 Fw Pro genoemde categorieën - het tot de beschikking leidende verzoek aan de rechter-commissaris heeft gedaan, en degene tot wie de beschikking is gericht (vgl. HR 18 april 2008, LJN BC5694, NJ 2008/244, en HR 22 april 2005, LJN AS4191, NJ 2005/405). Voor zover het middel berust op een andere opvatting, faalt het.
3.6 Voor zover het middel opkomt tegen het oordeel van de rechtbank dat [verzoeker] niet op grond van de door hem gestelde belangen als "partij" in de zin van art. 67 Fw Pro kan worden aangemerkt (omdat hij niet kan gelden als degene tot wie de beschikking is gericht), faalt het eveneens. Het hiervoor in 3.1 onder (iv) genoemde hoger beroep betrof een geding dat de voldoening van een verbintenis uit de boedel ten doel had, waarin de curator op de voet van art. 28 lid 2 Fw Pro de positie van de gefailleerde als partij had overgenomen. In een zodanig geval komt de gefailleerde buiten het geding te staan (vgl. HR 23 april 2010, LJN BL5450, NJ 2010/245), en wordt dat geding door de curator voortgezet met als inzet niet het belang van de gefailleerde, maar het belang van de boedel. Met de positie van de gefailleerde wordt in het stelsel van de wet op andere wijze rekening gehouden (art. 126 Fw Pro). Dit stelsel brengt voor het door de curator voortgezette geding mee dat niet alleen het instellen van rechtsmiddelen, maar ook het beëindigen van de procedure door bijvoorbeeld een schikking, uitsluitend geschiedt in verband met het belang van de boedel. Hiermee is niet verenigbaar dat de gefailleerde als "partij" in de zin van art. 67 Fw Pro zou kunnen opkomen tegen een beschikking van de rechter-commissaris als in dit geding aan de orde is. De rechtbank heeft [verzoeker] dan ook terecht in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.
3.7 De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, A.H.T. Heisterkamp, M.A. Loth en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 15 maart 2013.