ECLI:NL:HR:2008:BC9189
Hoge Raad
- Cassatie
- P.J. van Amersfoort
- C.B. Bavinck
- A.R. Leemreis
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt toepassing voorziening voor naheffingsaanslag loonbelasting bij winstbepaling
Belanghebbende, een vennootschap, kreeg voor het jaar 1999 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd, inclusief een boete. Na bezwaar van belanghebbende heeft de Inspecteur de aanslag en boete verminderd. Belanghebbende ging in beroep bij het Hof, dat het beroep gegrond verklaarde, de aanslag en boete verder verminderde en de uitspraken van de Inspecteur vernietigde.
Belanghebbende stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen het arrest van het Hof. De Hoge Raad oordeelde dat bij de bepaling van de winst rekening gehouden mag worden met een voorziening voor de materiële belastingschuld van de naheffingsaanslag loonbelasting. Hierbij moet niet worden uitgegaan van de aanvankelijke naheffingsaanslag, maar van de schuld zoals vastgesteld door het Hof.
De Hoge Raad verwierp het middel dat zich tegen deze uitleg richtte en bevestigde dat ook feiten en omstandigheden die na het opmaken van de fiscale balans maar vóór het definitief vaststaan van de aanslag bekend worden, in aanmerking mogen worden genomen. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werden geen proceskosten aan belanghebbende toegewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt het oordeel van het Hof over de voorziening voor naheffingsaanslag loonbelasting.