Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:799

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
24/3232
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:36c AwbArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen aanslag inkomstenbelasting 2018 wegens afwaardering vordering na staking vennootschap

Belanghebbende maakte bezwaar tegen een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2018, waarin een afwaardering van een vordering op een voormalige vennootschap onder firma niet werd geaccepteerd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het Gerechtshof Amsterdam bevestigde deze uitspraak in hoger beroep.

De kern van het geschil betrof de vraag of de afwaardering van de vordering op de voormalige vennootschap, die ruim twintig jaar eerder was gestaakt, in aftrek kon worden gebracht op het belastbaar inkomen uit werk en woning. De rechtbank oordeelde dat waardeverminderingen na het stakingsjaar niet als verlies op het privévermogen aftrekbaar zijn. Tevens was reeds in eerdere jaren een aanzienlijke afwaardering op deze vordering in aftrek gebracht, waardoor verdere aftrek niet gerechtvaardigd was.

Belanghebbende voerde aan dat de inspecteur in voorgaande jaren een gedragslijn had gevolgd die vertrouwen zou wekken, maar dit beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen. Het hof vond geen nieuwe feiten of argumenten die tot een ander oordeel konden leiden en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat de aanslag inkomstenbelasting 2018 terecht is vastgesteld zonder aftrek van de afwaardering van de vordering.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 24/3232
3 maart 2026
uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X] ,wonende te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: [naam 3] )
tegen de uitspraak van 17 april 2024 in de zaak met kenmerk HAA 22/4979 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst,de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2018 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.543. Daarbij is een bedrag aan belastingrente in rekening gebracht van € 582.
1.2.
Bij uitspraak van 15 juli 2022 heeft de inspecteur het bezwaar tegen de aanslag ongegrond verklaard.
1.3.
Tegen de uitspraak op bezwaar heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Het tegen deze uitspraak door belanghebbende digitaal ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 27 mei 2024 (het hogerberoepschrift is tevens per post ingediend). De gemachtigde van belanghebbende heeft door het indienen van het hoger beroepschrift in het webportaal gekozen voor digitaal procederen. In het hogerberoepschrift zijn nadere gronden aangekondigd, maar deze zijn – na drie keer daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld – niet ingekomen.
1.5.
De inspecteur heeft op 4 augustus 2025 een verweerschrift ingediend. In dit verweerschrift heeft de inspecteur meegedeeld dat het hoger beroep naar zijn mening kennelijk ongegrond kan worden verklaard, zonder behandeling ter zitting.
1.6.
Bij bericht van 4 augustus 2025 heeft de griffier aan belanghebbende op de voet van artikel 8:57, lid 1, Awb meegedeeld dat het Hof overweegt om een zitting in de onderhavige zaak achterwege te laten en dat belanghebbende, indien hij gebruik wil maken van zijn recht om op een zitting te worden gehoord, dit uiterlijk op 1 september 2025 aan het Hof dient mee te delen. Het genoemde bericht is op 4 augustus 2025 in het digitale zaaksdossier geplaatst. Uit onderzoek van het Hof is gebleken dat van de plaatsing van dit bericht op diezelfde dag om 13:21 uur een notificatiebericht is verzonden naar het door de gemachtigde voor dit doel opgegeven e-mailadres ( [e-mail] ). Op grond van artikel 8:36c, lid 2, Awb neemt het Hof daarom aan dat de gemachtigde dit bericht op 4 augustus 2025 heeft ontvangen. Belanghebbende noch zijn gemachtigde heeft op het bericht van 4 augustus 2025 gereageerd.
1.7.
Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten en heeft bij bericht van
11 februari 2026 aan partijen medegedeeld dat in de onderhavige zaak zonder zitting uitspraak zal worden gedaan.

2.Feiten

2.1.
De rechtbank heeft in haar uitspraak de volgende feiten vastgesteld (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’):
“1. Eiser heeft op 25 augustus 2019 de aangifte IB/PVV 2018 ingediend. Hierin is een negatief bedrag van € 15.000 in aanmerking genomen als resultaat uit overige werkzaamheden.
2. Verweerder heeft op 23 september 2021 een definitieve aanslag opgelegd naar een verzamelinkomen van € 36.543. Verweerder heeft het negatieve resultaat uit overige werkzaamheden niet in aftrek geaccepteerd.
3. Eiser heeft als vennoot geparticipeerd in een vennootschap onder firma,
[bedrijf 1] . Hij was gerechtigd tot 50% van het vermogen en het resultaat van deze vennootschap onder firma. De onderneming van de vennootschap onder firma is in 2002 of 2003 gestaakt. Tot de gedingstukken behoort een balans uit het jaar 2002 waaruit blijkt dat de vennootschap onder firma een vordering van 201.600 gulden (€ 91.482) had op [naam 1] .
4. Het in 2018 door eiser opgevoerde negatieve resultaat uit overige werkzaamheden bestaat uit een afwaardering van deze vordering op [naam 1] . Ten aanzien van de vordering op [naam 1] heeft eiser in de jaren voor 2018 reeds de volgende afwaarderingen in aftrek gebracht van zijn belastbaar inkomen uit werk en woning:
jaar bedrag
2009 € 10.000
2014 € 20.000
2015
€ 20.000
totaal € 50.000.”
2.2.
Het Hof gaat ook uit van de hiervoor vermelde feiten.

3.Geschil in hoger beroep

In hoger beroep is, evenals in beroep, in geschil of de aanslag niet naar een te hoog bedrag is vastgesteld en of de inspecteur bij belanghebbende in rechte te honoreren vertrouwen heeft gewekt.

4.Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft als volgt overwogen en beslist:
“8. Ten aanzien van het door eiser in 2018 geclaimde verlies op de vordering op [naam 1] overweegt de rechtbank als volgt. Staking van een objectieve onderneming, zoals die van [bedrijf 2] , brengt met zich mee dat alle tot het ondernemingsvermogen behorende activa en passiva overgaan naar het privévermogen van een belastingplichtige (vgl. gerechtshof Leeuwarden 16 november 2010, ECLI:NL:GHLEE:2010:BO4786). Voor de berekening van de bij de staking behaalde winst moet de waarde van een naar het privévermogen van een ondernemer overgaande vordering ter zake van de overdracht worden gesteld op de waarde in het economische verkeer, welke aan die vordering is toe te kennen op het tijdstip waarop deze naar het privévermogen overgaat (vgl. Hoge Raad van 28 december 1955, ECLI:NL:HR:1955:AY1977 en 4 november 1981, ECLI:NL:HR:1981:AW9752). De waarde van deze vordering moet niet alleen worden beoordeeld naar de op het tijdstip van het opmaken van de eindbalans bekende omstandigheden. Ook met feiten en omstandigheden die een licht werpen op de waardering van de vordering op de eindbalans en die zich hebben voorgedaan na eindbalansdatum, maar voordat de aanslag IB/PVV voor het betreffende jaar onherroepelijk vaststaat, moet rekening worden gehouden (vgl. Hoge Raad 11 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9189).
9. Niet in geschil is dat de onderneming waartoe de vordering op [naam 1] behoorde ruim
20 jaar geleden is gestaakt. Dat betekent dat op dat moment de vordering op [naam 1] is overgegaan naar het privévermogen van eiser tegen de waarde die die vordering op dat moment in het economisch verkeer had. Voor zover de vordering op dat moment al minder waard was dan de nominale waarde had de waardevermindering in het stakingsjaar tot uitdrukking moeten komen. Waardeverminderingen na het stakingsjaar kunnen als verliezen op het privévermogen niet in aftrek van eisers belastbaar inkomen uit werk en woning worden gebracht.
10. Daarnaast merkt de rechtbank op dat verweerder onweersproken heeft gesteld dat in de jaren 2009, 2014 en 2015 eiser reeds € 50.000 afwaardering op de vordering [naam 1] ten laste van zijn belastbaar inkomen uit werk en woning heeft gebracht zodat – nu eisers aandeel in die vordering ultimo 2003 slechts € 45.741 bedroeg, alleen al op die grond voor een verdere afwaardering geen enkele grond is. Eisers gemachtigde heeft weliswaar ter zitting gesteld dat bij de ontbinding van de vennootschap tussen beide vennoten de afspraak zou zijn gemaakt dat deze vordering niet voor zijn 50% aandeel, maar geheel aan eiser zou zijn toebedeeld, maar eiser heeft voor deze eerst ter zitting opgevoerde stelling geen enkele onderbouwing verstrekt.
11. Verweerder heeft in dit verband bovendien verwezen naar de uitspraak van 13 september 2022 van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2022:7921) betreffende de belastingheffing over het jaar 2012 van eisers gemachtigde zelf. In rechtsoverweging 4.1 wordt het volgende vermeld:
“Belanghebbende heeft gesteld dat hij in de onderhavige de hiervoor – onder 2.3 – genoemde vorderingen op de Boedel [naam 1] ten bedrage van € 161.999, op [naam 1] ten bedrage van € 91.482 en van [bedrijf 3] ten bedrage van € 90.756 wil afwaarderen. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende desgevraagd aangegeven dat hij in zowel 2012 als 2013 een afwaardering bepleit voor een bedrag van € 12.000 primair van de vordering van [bedrijf 3] , subsidiair van de vordering op [naam 1] en meer subsidiair van de vordering op de Boedel [naam 1] . Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof desgevraagd voorts verklaard dat deze vorderingen niet eerder zijn afgewaardeerd, behoudens een voor een bedrag van € 27.446 op de vordering op [naam 1] en voor een bedrag van € 10.000 op de vordering van [bedrijf 3] .”
Verweerder wijst erop dat uit deze uitspraak blijkt dat gemachtigde van eiser in die procedure juist de stelling inneemt dat hij, en niet eiser, geheel gerechtigd is tot de vordering op [naam 1] en reeds in 2012 een afwaardering op die vordering in aftrek heeft willen brengen, hetgeen in tegenspraak is met hetgeen gemachtigde in deze procedure aanvoert. De rechtbank volgt verweerder hierin. De afwaardering als door eiser in 2018 in zijn aangifte IB/PVV 2018 opgevoerd is daarmee als niet onderbouwd en niet aannemelijk gemaakt terecht door verweerder niet in aftrek aanvaard.
Vertrouwensbeginsel
12. De stelling van eiser dat nu verweerder de afschrijvingen in 2009, 2014 en 2015 wel heeft goedgekeurd hem een beroep op het vertrouwensbeginsel toekomt wordt door de rechtbank verworpen. In zijn arrest van 13 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC4179) heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:
“Afgezien van het geval dat de gedragslijn berust op een toezegging waarvan de belastingplichtige mocht menen dat zij ook voor het onderhavige jaar zou gelden, is voor in rechte te beschermen vertrouwen als hier bedoeld meer vereist dan de enkele omstandigheid dat de inspecteur gedurende een aantal jaren bij het regelen van de aanslag op een bepaald punt de aangifte heeft gevolgd. De gerechtvaardigdheid van het vertrouwen hangt af van de waardering van – voor zoveel nodig in onderlinge samenhang te beoordelen – omstandigheden die bij de belastingplichtige de indruk hebben kunnen wekken dat een door de inspecteur gedurende een aantal jaren betreffende dezelfde aangelegenheid gevolgde gedragslijn berust op een bewuste standpuntbepaling. Deze indruk is doorgaans niet gewettigd, indien de gedragslijn van de inspecteur voor de belastingheffing in het verleden geen of verhoudingsgewijs geringe gevolgen heeft gehad. Omstandigheden als vorenbedoeld kunnen onder meer zijn gelegen in de vaststelling van een aanslag in overeenstemming met een aangifte waarin de belastingplichtige de voor die aanslag van belang zijnde aangelegenheid uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde had gesteld, in de vaststelling van een aanslag na raadpleging van bewijsstukken, na gehouden besprekingen of gevoerde correspondentie, dan wel in overeenstemming met eerder verstrekte, voor de toen op te leggen aanslag van belang zijnde inlichtingen, of in de tegemoetkoming aan een bezwaar betreffende dezelfde zich onveranderd voordoende aangelegenheid.”
13. Voor in rechte te beschermen vertrouwen is gelet op het weergegeven arrest meer vereist dan de enkele omstandigheid dat verweerder in genoemde jaren bij het regelen van de aanslag de aangifte heeft gevolgd op het punt van afwaardering van de vordering. Dat verweerder bij het regelen van die aangiften een bewust standpunt over de onderhavige kwestie heeft bepaald heeft eiser met al hetgeen hij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt. De aangiften 2014 en 2015 zijn automatisch geregeld en het jaar 2009 is te ver verwijderd van het onderhavige belastingjaar, en betreft bovendien een toen gestelde afwaardering van € 10.000, om daar voor het onderhavige jaar enig vertrouwen aan te kunnen ontlenen. Voor zover eiser zich in dit verband beroept op de door verweerder gevoerde correspondentie met de heer [naam 2] kan dit hem evenmin baten omdat deze correspondentie het jaar 2002 betrof toen de onderneming nog bestond, en bovendien niet de belastingheffing van eiser zelf betrof, maar die van eisers gemachtigde. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt op deze gronden.
Slotsom
14. Op grond van het hiervoor overwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding”.

5.Beoordeling van het geschil

Het Hof verenigt zich met de hiervoor weergegeven beslissing van de rechtbank en maakt de gronden waarop deze beslissing berust tot de zijne. Hetgeen belanghebbende in hoger beroep heeft aangevoerd (belanghebbende heeft volstaan met de grief “Er is wel degelijk sprake van negatieve resultaten uit onderneming”, zonder deze grief nader uit te werken), werpt geen nieuw of ander licht op de zaak.

6.Kosten

Voor een kostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

7.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. H.E. Kostense, voorzitter, N. Djebali en M. Ferrier, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. I.A. Kranenburg als griffier. De beslissing is op 3 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op
www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op
www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op