ECLI:NL:HR:2009:BD0236
Hoge Raad
- Cassatie
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- A.R. Leemreis
- J.A.C.A. Overgaauw
- M.A. Fierstra
- Rechtspraak.nl
Toepassing bedrijfsopvolgingsfaciliteiten bij grensoverschrijdende successie en aanmerkelijk belang
Belanghebbende, een niet-inwoner van Nederland, erfde een pakket van minder dan 5% aandelen in een Nederlandse vennootschap van zijn in Nederland wonende vader. De Ontvanger weigerde toepassing van de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten omdat het aandelenpakket niet aansluitend tot een aanmerkelijk belang zou behoren. Het Hof verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat geen strijd was met het discriminatieverbod of artikel 56 EG Pro.
De Hoge Raad oordeelt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat belanghebbende geen recht heeft op de faciliteiten en dat artikel 56 EG Pro niet van toepassing is. De Hoge Raad stelt dat het onderscheid tussen binnenlandse en buitenlandse erfgenamen een beperking van het kapitaalverkeer vormt zonder dat een rechtvaardigingsgrond is gebleken. De bedrijfsopvolgingsfaciliteiten moeten daarom ook aan belanghebbende worden verleend.
Het geding wordt terugverwezen naar het Hof Arnhem voor verdere behandeling met inachtneming van dit arrest. Tevens veroordeelt de Hoge Raad de Staat in proceskosten en vergoedt griffierechten aan belanghebbende. De zaak betreft een belangrijke toetsing van het verbod op discriminatie en de vrijheid van kapitaalverkeer binnen de EU in het kader van successierecht en aanmerkelijk belang.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug voor toepassing van bedrijfsopvolgingsfaciliteiten aan belanghebbende als niet-inwoner.