Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
VN2013/19.25 met noot Redactie.
Parket bij de Hoge Raad
Belanghebbende, een achterneef van de erflater, verkreeg bij overlijden van de erflater in 2007 registergoederen en landbouwmachines die tot het voormalige ondernemingsvermogen van de erflater behoorden. De erflater had zijn landbouwonderneming in 2004 gestaakt. Belanghebbende gebruikte deze vermogensbestanddelen in zijn eigen onderneming, waardoor deze na het overlijden tot zijn ondernemingsvermogen gingen behoren. Belanghebbende vorderde toepassing van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit (BOF) op zijn verkrijging, ondanks dat deze niet aan de wettekst voldeed.
De Rechtbank oordeelde dat de BOF niet van toepassing was, maar dat de verhoging van het vrijstellingspercentage tot 75% in 2005 onredelijk was en tot discriminatie leidde. Daarom werd de aanslag successierecht gewijzigd in een conserverende aanslag. Het Hof vernietigde dit oordeel en verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft en dat de BOF alleen geldt voor ondernemingsvermogen van de erflater dat door de verkrijger rechtstreeks wordt voortgezet. Het feit dat het vermogen na verkrijging tot het ondernemingsvermogen van de verkrijger behoort, rechtvaardigt geen toepassing van de BOF.
De conclusie van de Advocaat-Generaal bevestigt dat de BOF geen toepassing vindt op het geval van belanghebbende, omdat het vermogen bij de erflater geen ondernemingsvermogen meer vormde en de onderneming van de erflater niet rechtstreeks werd voortgezet. De ratio van de BOF is het fiscaal faciliteren van de voortzetting van bestaande familiebedrijven, wat hier niet het geval is. De conclusie strekt tot ongegrondverklaring van het cassatieberoep.
Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard; de bedrijfsopvolgingsfaciliteit is niet van toepassing op zijn verkrijging.