ECLI:NL:HR:2009:BG6607
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.W. Ilsink
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt beoordeling voorwaardelijke invrijheidstelling bij strafoplegging na overname executie Portugal
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam over de strafoplegging na overname van de tenuitvoerlegging van een Portugese straf. De veroordeelde was in Portugal veroordeeld voor medeplegen van handel in ruim 736 kilo cocaïne en verbleef in Nederland in detentie.
De rechtbank had onderzocht of de veroordeelde in Portugal na het uitzitten van de helft van zijn straf voorwaardelijk in vrijheid zou zijn gesteld. Op basis van informatie van de Portugese autoriteiten concludeerde de rechtbank dat dit met grote waarschijnlijkheid het geval zou zijn geweest. De officier van justitie voerde aan dat vanwege de aard van het delict en eerdere veroordelingen de veroordeelde pas na twee derde van de straf in vrijheid zou komen.
De Hoge Raad bevestigt dat de rechtbank een juiste beoordeling heeft gemaakt door uit te gaan van de waarschijnlijkheid van invrijheidstelling na de helft van de straf. De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank haar oordeel voldoende heeft gemotiveerd en dat het cassatiemiddel faalt. Het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de strafoplegging rekening houdt met de waarschijnlijkheid van voorwaardelijke invrijheidstelling na de helft van de straf in Portugal.