ECLI:NL:HR:2009:BH3342
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- C.H.W.M. Sterk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na nietigverklaring dagvaarding
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene stelde dat de dagvaarding ten aanzien van een bepaald feit nietig was verklaard, waardoor geen ontneming daarvan mocht plaatsvinden.
Het hof had geoordeeld dat nietigverklaring van de dagvaarding niet betekent dat de feitelijke gedragingen niet betrokken mogen worden bij de ontnemingsmaatregel. De Hoge Raad bevestigde deze uitleg en verwierp het beroep dat zich baseerde op de uitspraak Geerings tegen Nederland van het EHRM.
Verder oordeelde de Hoge Raad dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden, hetgeen leidde tot een vermindering van het opgelegde bedrag van € 1.165.000,- naar € 1.160.000,-.
De Hoge Raad vernietigde de bestreden uitspraak uitsluitend wat betreft de hoogte van het bedrag en verwerpt het beroep voor het overige. Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren op 7 april 2009.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de ontnemingsmaatregel met vermindering van het bedrag tot € 1.160.000,- wegens termijnoverschrijding.