ECLI:NL:PHR:2009:BH3342
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel en schending art. 6 EVRM
In deze zaak staat centraal de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aan betrokkene, waarbij het hof het bedrag heeft vastgesteld op basis van een strafrechtelijk financieel onderzoek. De verdediging voerde meerdere punten aan ter vermindering van het vastgestelde bedrag, waaronder aftrek van BTW, dubbele hypotheeklasten, telefoonkosten, niet-betrokkenheid bij illegale afname van grondstoffen en het legale deel van de opbrengst van een woningverkoop. Het hof heeft deze punten beoordeeld en grotendeels verworpen, waarbij het rapport van de financieel deskundige als uitgangspunt werd genomen.
De verdediging stelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het afweek van haar onderbouwde standpunten, maar de Hoge Raad oordeelde dat het hof voldoende inzicht had gegeven in zijn motivering door te verwijzen naar onderliggende stukken en de discussie tussen deskundigen. Tevens werd het bezwaar van de verdediging dat het hof onrechtmatig gedragingen meenam die nietig verklaard waren in de dagvaarding, verworpen. De Hoge Raad stelde dat het ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel niet in strijd is met art. 6 EVRM Pro, omdat betrokkene voldoende gelegenheid tot verweer heeft gehad en er geen sprake was van een vrijspraak van de feiten waarop het voordeel is gebaseerd.
De Hoge Raad concludeerde dat de middelen falen en verwierp het cassatieberoep, waarmee het vonnis van het hof in stand bleef. De zaak verduidelijkt de reikwijdte van ontnemingsmaatregelen en de toepassing van het recht op een eerlijk proces in het kader van de Geerings-problematiek.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het vonnis tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel blijft in stand.