ECLI:NL:HR:2009:BH6427
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- E.N. Punt
- J.A.C.A. Overgaauw
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt niet-ontvankelijkheid beroep inzake aftrek omzetbelasting ondanks tijdige griffierechtbetaling
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de niet-ontvankelijkverklaring van haar bezwaar over de aftrek van omzetbelasting in het vierde kwartaal van 2003, omdat de Inspecteur het bezwaar wegens termijnoverschrijding had afgewezen. De rechtbank en het hof verklaarden het bezwaar en het daaropvolgende beroep ongegrond. In cassatie werd het beroep aanvankelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig betalen van griffierechten.
Na nader onderzoek bleek dat het griffierecht wel tijdig was voldaan, waardoor de Hoge Raad het eerdere arrest vervallen verklaarde en het beroep alsnog in behandeling nam. De Hoge Raad oordeelde dat het verzuim van het niet tijdig in aftrek brengen van omzetbelasting niet kan worden gerepareerd door een beroep op artikel 18, lid 3, van de Zesde richtlijn, omdat dit artikel geen directe werking heeft en de lidstaten de voorwaarden bepalen.
De Hoge Raad verwierp daarmee het beroep van belanghebbende en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. Tevens werden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd. Het arrest bevestigt dat nationale regels omtrent termijnoverschrijding bij belastingaangifte niet worden doorbroken door het Europese recht in deze context.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het bezwaar blijft niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding.