Uitspraak
1.Het verloop van het geding
- het eindvonnis in deze zaak van 3 september 2014 (hierna: het eindvonnis);
- de fax van 4 september 2014 van de zijde van[eiser];
- de e-mail van 5 september 2014 van de zijde van[eiser];
- de e-mail van 9 september 2014 van de zijde van[eiser];
- de e-mail van 9 september 2014 van de zijde van [gedaagde].
2.Overwegingen
NJ2012/625; kritisch evenwel H.J. Snijders in zijn annotatie in
NJ2012/626).
NJ2012/246; vgl. ook HR 27 mei 2011,
NJ2012/625). Ook een overeenkomstige toepassing van artikel 31 Rv Pro is afgewezen (HR 27 mei 2011,
NJ2012/625). De Hoge Raad past artikel 31 Rv Pro evenwel ruimer toe in het geval een fout bij de Hoge Raad wordt gemaakt (vgl. HR 13 februari 2004,
NJ2004/459); verondersteld wordt dat dit er onder meer mee te maken heeft dat de Hoge Raad de laatste instantie is, waarvan geen beroep mogelijk is (Th. B. ten Kate en E.M. Wesseling-van Gent,
Herroeping, verbetering en aanvulling van burgerrechtelijke uitspraken, Kluwer 2013, p. 169).
NJ1990/677 en HR 24 oktober 2003,
NJ2004/558). De herstelmogelijkheid van artikel 31 Rv Pro wordt wel gezien als een uitzondering hierop.
NJ2011/554).
BNB2009/134 (belastingkamer) waarin sprake is van een administratieve fout bij de Hoge Raad (griffierecht bleek wel – en bovendien op tijd – te zijn betaald; zie ook HR 13 mei 2011,
BNB2011/202). Ook andere hoogste bestuursrechters gaan soms tot vervallenverklaring van een eigen uitspraak over; zie bijv. CRvB 15 mei 2008,
RSV2008/197 en ABRvS 29 april 2004,
AB2004/226.
FED2013/20). Betoogd is wel dat vervallenverklaring niet in de rede ligt als op het moment waarop de fout partijen duidelijk kon zijn, nog een rechtsmiddel beschikbaar is (M. Schreuder-Vlasblom,
Rechtsbescherming en bestuurlijke voorprocedure, Kluwer 2013, par. 6.1.2 ). Steun hiervoor is te vinden in een uitspraak van de Afdeling (ABRvS 2 september 2004,
AB2004/418).
Kamerstukken II2008/09, 31 352, nr. 8, p. 20).
NJ2002/231 en de
NJ-annotatie van De Hullu bij dit arrest alsmede de annotatie van M.J. Borgers in
NJ2012/249).
NJ2006/23 en HR 16 december 2008,
RvdW2009, 146); ook geschiedt herstel soms door een intrekking van het eerdere arrest (bijv. HR 12 juli 2011,
RvdW2011/1003; HR 22 februari 2011,
RvdW2011/338; HR 9 april 2013,
RvdW2013/581).
NJ2012/249 en HR 12 juni 2012,
NJ2012/490).
NJ2002/231 en HR 10 mei 2005,
NJ2006/23). Niettemin is het in het strafrecht (inmiddels) wel aanvaard dat ook de feitenrechter de buitenwettelijke mogelijkheid heeft om een herstelarrest te wijzen (zie 2.8.10).
Uitgebalanceerd, Boom Juridische uitgevers 2006, par. 9.1.4.3, waar zij verruiming van artikel 31 Rv Pro bepleiten; zie in vergelijkbare zin Th. B. ten Kate en E.M. Wesseling-van Gent, a.w., p. 167-168, die vragenderwijs een vorm van een ‘terme de grâce’ bepleiten om een evidente misslag als gevolg van administratieve fout te herstellen, alsmede P.A. Fruytier en L.V. van Gardingen, De aanvulling en verbetering van uitspraken – een onderzoek naar het toepassingsbereik van art. 31 en Pro 32 Rv,
TCR2014, par. 3, die zich bij dit pleidooi aansluiten; voor een tegengeluid zie bijv. H.J. Snijders in zijn annotatie in
NJ2012/626).
NJ2002/231 (strafkamer) waarin een schriftuur niet was opgemerkt door de Hoge Raad). Betoogd kan worden dat in een geval als het onderhavige waarin de schending van artikel 6 EVRM Pro gelegen is in een evidente administratieve fout bij de kantonrechter, rechtsherstel in de vorm van een vervallenverklaring meer in de geest is van het EVRM dan de benadeelde partij dwingen in hoger beroep te gaan met de daaraan verbonden nadelen. Daarbij komt dat die laatste oplossing in beginsel een langere procesduur betekent, hetgeen op zichzelf weer spanning oproept met artikel 6 EVRM Pro.
Burgerlijk procesrecht praktisch belicht, par. 11.13) –, de procedure wordt voorgezet en uiteindelijk een nieuw (tweede) eindvonnis wordt gewezen. Dit laatste (tweede) eindvonnis lijkt dan mee te brengen dat het eerste eindvonnis zijn rechtskracht, althans ‘zijn betekenis’, verliest (vgl. HR 24 oktober 2003, NJ 2004/558 en punt 7 van de
NJ-annotatie van Snijders bij dit arrest). Dat op die manier buiten de grenzen van artikel 31 Rv Pro een feitenrechter materieel gezien een vonnis
kanvervangen door een ander vonnis, neemt echter niet weg dat de rechter dat niet
mag(vgl. Snijders in punt 9 van zijn annotatie in
NJ2004/558). Aan deze pragmatische oplossing kleeft derhalve evenzeer als aan de vervallenverklaring het nadeel dat er geen wettelijke grondslag voor is, terwijl de vervallenverklaring het voordeel heeft dat zij transparanter en – afgezien van het ontbreken van een wettelijke grondslag – dogmatisch zuiverder is.
RvdW2014/286).
3.De beslissing
woensdag 8 oktober 2014 te 9.00 uuropdat[eiser] dan bij akte de verhinderdata van de door hem opgegeven getuigen en van beide partijen in de komende drie maanden opgeeft;