ECLI:NL:HR:2009:BI1508

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 juni 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
C07/164HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:658 BWArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt werkgeversaansprakelijkheid voor psychische schade volgens art. 7:658 BW

Deze zaak betreft een arbeidsrechtelijk geschil tussen eiser en ABN Amro Bank N.V. waarbij het ging om werkgeversaansprakelijkheid voor psychische schade op grond van artikel 7:658 BW Pro. De Hoge Raad verwijst naar een eerdere uitspraak van 11 maart 2005, waarin het arrest van het gerechtshof Amsterdam werd vernietigd en de zaak werd verwezen naar het gerechtshof 's-Gravenhage.

Na verdere behandeling heeft het hof bij eindarrest van 16 februari 2007 het vonnis van de rechtbank Amsterdam vernietigd voor zover de vordering tot vergoeding van repatriëringskosten was afgewezen. Het hof veroordeelde ABN Amro tot betaling van de gemaakte kosten van repatriëring ad € 7.969,50 vermeerderd met wettelijke rente vanaf 28 juni 2001.

Eiser stelde cassatieberoep in tegen dit arrest, maar de Hoge Raad verwierp dit beroep. De Hoge Raad achtte de aangevoerde klachten onvoldoende om tot cassatie te leiden en zag geen noodzaak tot nadere motivering. Tevens veroordeelde de Hoge Raad eiser in de kosten van het cassatiegeding.

Deze uitspraak bevestigt de werkgeversaansprakelijkheid voor psychische schade en onderstreept de verplichting van de werkgever tot vergoeding van kosten die voortvloeien uit die aansprakelijkheid, zoals repatriëringskosten.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling van ABN Amro tot vergoeding van repatriëringskosten.

Uitspraak

5 juni 2009
Eerste Kamer
C07/164HR
DV/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaten: mr. A.H. Vermeulen en mr. C.S.G. Janssens,
t e g e n
ABN AMRO BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. E. Grabandt.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en ABN Amro.
1. Het geding in voorgaande instanties
Voor het verloop van het geding in voorgaande instanties verwijst de Hoge Raad naar zijn arrest van 11 maart 2005, nr. C03/289, LJN AR6657, RvdW 2005, 37. Bij dat arrest heeft de Hoge Raad onder meer het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 10 juli 2003 vernietigd en het geding verwezen naar het gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing.
Na memoriewisselingen en na mondelinge behandeling heeft het hof bij eindarrest van 16 februari 2007 het vonnis waarvan beroep van de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam, van 22 mei 2002 vernietigd voor zover daarbij de vordering van [eiser] tot vergoeding van de kosten van repatriëring is afgewezen en, in zoverre opnieuw rechtdoende, ABN Amro veroordeeld om aan [eiser] te betalen de door [eiser] gemaakte kosten van repatriëring ad € 7.969,50 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 28 juni 2001 tot aan de dag der algehele voldoening, en voor het overige het vonnis bekrachtigd.
Het eindarrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het tweede geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
ABN Amro heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaten van [eiser] hebben bij brief van 16 april 2009 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van ABN Amro begroot op € 1.271,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren E.J. Numann, A. Hammerstein, J.C. van Oven en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 5 juni 2009.