Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2010:BH9189

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 februari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/13543
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 CSVArt. 5 CSVArt. 46a lid 1 Wet op de ondernemingsradenArt. 78 lid 4 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt uitspraak over solidariteitsheffing als negatief loon in sociaal plan herstructurering

Belanghebbende voerde in cassatie beroep tegen besluiten van de Raad van Bestuur inzake correctienota's over de jaren 1997 tot en met 2000 betreffende premies werknemersverzekeringen en een OR-heffing. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en onbevoegd, de Centrale Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde de beroepen ongegrond. De Hoge Raad oordeelde dat het beroep in cassatie niet-ontvankelijk is voor zover het betrekking heeft op de OR-heffing, omdat geen wettelijke basis bestaat voor cassatie tegen uitspraken van de Centrale Raad in die zaak.

Feitelijk had belanghebbende in het kader van een herstructurering een sociaal plan met een stichting opgericht, waarbij een solidariteitsheffing van 9% op het basismaandsalaris werd ingehouden en afgedragen aan de stichting. De Centrale Raad zag deze heffing als inhouding op brutoloon, geen negatief loon. De Hoge Raad oordeelde dat deze solidariteitsheffing, als bijdrage van werknemers aan de kosten van het sociaal plan, moet worden aangemerkt als negatief loon.

De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van de Centrale Raad, de rechtbank en het besluit op bezwaar voor zover deze betrekking hadden op de premies werknemersverzekeringen en gelastte vergoeding van griffierechten en proceskosten aan belanghebbende. De zaak werd door de Hoge Raad zelf afgedaan.

De uitspraak bevestigt dat inhoudingen op loon in het kader van een sociaal plan, ook indien uitgevoerd via een stichting, als negatief loon moeten worden beschouwd voor de toepassing van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.

Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk voor de OR-heffing, gegrond voor premies werknemersverzekeringen, waarbij de solidariteitsheffing als negatief loon wordt aangemerkt en de eerdere uitspraken worden vernietigd.

Uitspraak

Nr. 07/13543
5 februari 2010
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 26 oktober 2007, nrs. 04/351 CSV, 04/353 CSV, 04/387 CSV en 04/388 CSV, LJN BB6830, RSV 2008, 34, betreffende na te melden besluiten.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende zijn bij besluiten van 6 december 2002 over de jaren 1997 tot en met 2000 correctienota's ingevolge de Coördinatiewet Sociale Verzekering (hierna: de CSV) en correctienota's inzake de heffing ter bevordering van de scholing en vorming van ondernemingsraadsleden als bedoeld in artikel 46a, lid 1, van de Wet op de ondernemingsraden (hierna: de OR-heffing) opgelegd.
De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: de Raad van Bestuur) heeft de tegen deze besluiten gemaakte bezwaren bij besluiten van 31 januari 2003 en 18 juni 2003 ongegrond verklaard.
De Rechtbank te Rotterdam (nrs. PREMIE 03/543-NIFT en PREMIE 03/2166-NIFT) heeft het tegen het besluit van 31 januari 2003 ingestelde beroep ongegrond verklaard en zich ten aanzien van het tegen het besluit van 18 juni 2003 ingestelde beroep onbevoegd verklaard.
Belanghebbende en de Raad van Bestuur hebben tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad.
De Centrale Raad heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd en de beroepen ongegrond verklaard. De uitspraak van de Centrale Raad is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Centrale Raad beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal C.W.M. van Ballegooijen heeft op 6 maart 2009 geconcludeerd dat de Hoge Raad onbevoegd is over het beroep in cassatie te oordelen voor zover het de OR-heffing betreft en geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie voor zover het betrekking heeft op premies werknemersverzekeringen.
3. Uitgangspunten in cassatie
3.1. Belanghebbende heeft in 1997 wegens een slechte bedrijfseconomische situatie een ingrijpende herstructurering moeten doorvoeren. In overleg tussen directie, ondernemingsraad en vakorganisaties is een sociaal plan opgesteld. In het kader van dit plan is een stichting (hierna: de Stichting) opgericht voor de duur van vijf jaar, en wel van 27 februari 1997 tot en met 28 februari 2002. De Stichting had onder meer tot doel het verstrekken van aanvullingen op de uitkeringen van overcomplete werknemers van belanghebbende die, bij beëindiging van het dienstverband met belanghebbende, deelnemer in de Stichting zijn geworden. Daarnaast hield de Stichting zich bezig met de begeleiding van overcomplete werknemers bij het zoeken naar geschikte vacatures, alsmede met het verzorgen van om- en/of bijscholing van deze werknemers en met het laten verrichten van tijdelijke arbeid bij derden door die werknemers.
3.2. Op het loon van de blijvende werknemers werd gedurende de looptijd van de Stichting een solidariteitsheffing van 9 percent op het basismaandsalaris, na inhouding van de pensioenpremie, in aftrek gebracht (hierna: de solidariteitsheffing). Belanghebbende droeg het totaal aan solidariteitsheffingen af aan de Stichting. De afspraak hiertoe was vastgelegd in artikel 5 van Pro de collectieve arbeidsovereenkomst inzake de herstructurering bij belanghebbende (hierna: de CAO). Het loon vóór de aftrek van de solidariteitsheffing bleef gelden als basis voor het bepalen van de hoogte van het vakantiegeld, het pensioen en overige emolumenten. Begin 2002 is tussen de CAO-partners overeengekomen de solidariteitsheffing met terugwerkende kracht met ingang van 1 augustus 2001 te beëindigen.
3.3. Het bedrag van de solidariteitsheffing is door de Raad van Bestuur aangemerkt als een loonbestanddeel waarover premies werknemersverzekeringen en de OR-heffing zijn verschuldigd.
4. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
Ingevolge artikel 78, lid 4, van de Wet op de rechterlijke organisatie neemt de Hoge Raad enkel kennis van het beroep in cassatie tegen uitspraken van de administratieve rechter voor zover dit bij wet is bepaald. Er is geen wettelijke bepaling die beroep in cassatie openstelt tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep in een geschil inzake de OR-heffing. Het beroep in cassatie dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard voor zover het opkomt tegen het oordeel van de Centrale Raad inzake die heffing. Daarbij verdient opmerking dat, zoals blijkt uit de onderdelen 3.1 tot en met 3.6 van de conclusie van de Advocaat-Generaal, in de onderhavige jaren het College van Beroep voor het bedrijfsleven in eerste en enige instantie bevoegd was te oordelen in een dergelijk geschil.
5. Beoordeling van het middel
5.1. De Centrale Raad heeft onder meer overwogen dat hij de solidariteitsheffing ziet als een inhouding op het brutoloon, welke inhouding voortvloeide uit de voor de werknemers van belanghebbende destijds geldende CAO. Nu hiermede het brutoloon geen wijziging onderging, betekent dit volgens de Centrale Raad dat deze inhouding als deel uitmakende van het brutoloon niet kan worden aangemerkt als niet te zijn genoten in de zin van artikel 5 van Pro de CSV. De Centrale Raad heeft voorts geoordeeld dat de solidariteitsheffing niet kan worden aangemerkt als negatief loon. Tegen deze oordelen is het middel gericht.
5.2.1. Indien een werkgever in het kader van een herstructurering een sociaal plan opstelt en uitvoert, en werknemers uit hoofde van hun dienstbetrekking (bijvoorbeeld op grond van een CAO) een deel van hun loon aan de werkgever afdragen als bijdrage in de kosten van de uitvoering van dat plan, dient die afdracht te worden aangemerkt als negatief loon.
5.2.2. Uit de hiervóór in 3.1 en 3.2 vermelde feiten en omstandigheden blijkt dat in het onderhavige geval de werknemers in het kader van de herstructurering van belanghebbende en het daartoe opgestelde sociaal plan, op grond van de CAO verplicht zijn bij te dragen in de kosten van uitvoering van dit plan, dat daartoe door belanghebbende een solidariteitsheffing op hun loon is ingehouden, en voorts dat belanghebbende de van de werknemers ingehouden bedragen heeft afgedragen aan een derde, te weten de Stichting, die dat plan uitvoert. Dat het sociaal plan niet door belanghebbende is uitgevoerd, maar door deze - daartoe opgerichte - stichting, houdt kennelijk verband met de slechte financiële positie waarin belanghebbende destijds verkeerde.
5.2.3. Aldus komt het onderhavige geval dusdanig overeen met de hiervoor in 5.2.1 bedoelde situatie waarin het sociaal plan wordt uitgevoerd door de werkgever zelf, dat het voor de kwalificatie als negatief loon met die situatie op één lijn moet worden gesteld. Dit brengt mee dat de solidariteitsheffing als negatief loon moet worden aangemerkt. Het middel slaagt derhalve.
5.3. De uitspraak van de Centrale Raad kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
6. Proceskosten
De Raad van Bestuur zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie alsmede in de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank.
7. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk, voor zover het betrekking heeft op het oordeel van de Centrale Raad inzake de OR-heffing ter bevordering van de scholing en vorming van ondernemingsraadsleden als bedoeld in artikel 46a, lid 1, van de Wet op de ondernemingsraden,
verklaart het beroep in cassatie gegrond voor zover het betrekking heeft op de heffing van premies werknemersverzekeringen,
vernietigt de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, de uitspraak van de Rechtbank en het besluit op bezwaar van de Raad van Bestuur voor zover betrekking hebbende op de heffing van premies werknemersverzekeringen,
vernietigt de correctienota's ingevolge de Coördinatiewet Sociale Verzekering over de jaren 1997 tot en met 2000,
gelast dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 428, alsmede het bij de Centrale Raad betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor de Centrale Raad ten bedrage van € 348 en het bij de Rechtbank betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor de Rechtbank ten bedrage van € 232, derhalve in totaal € 1008, en
veroordeelt de Raad van Bestuur in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, in de kosten van het geding voor de Centrale Raad aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, alsmede in de kosten van het geding voor de Rechtbank aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, derhalve in totaal € 1932.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, J.W.M. Tijnagel, A.H.T. Heisterkamp en M.W.C. Feteris, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2010.