ECLI:NL:HR:2010:BJ3247
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- J. de Hullu
- W.M.E. Thomassen
- W.F. Groos
- Rechtspraak.nl
Vaststelling wederrechtelijke doorreis en voorwaardelijk opzet bij mensensmokkel minderjarige asielzoekers
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch over de strafzaak van een verdachte die werd verdacht van mensensmokkel van vier minderjarige Indiase asielzoekers. De verdachte had deze minderjarigen geholpen bij hun doorreis door Nederland naar het buitenland, terwijl hij wist dat deze doorreis wederrechtelijk was.
Uit het dossier blijkt dat de minderjarigen na hun asielaanvraag in Nederland kort daarna vertrokken naar het buitenland zonder de beslissing op hun verblijfsvergunning af te wachten. Het hof oordeelde dat dit een wederrechtelijke doorreis vormde in de zin van art. 197a Sr, ondanks het rechtmatig verblijf op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De verdachte had afspraken gemaakt over de reis, tickets geregeld en de minderjarigen begeleid naar de trein naar Parijs.
De Hoge Raad bevestigt dat het begrip 'wederrechtelijke doorreis' in art. 197a Sr niet wordt uitgesloten door het rechtmatig verblijf op basis van een lopende asielaanvraag. De wetsgeschiedenis en doelstelling van de bepaling, gericht op het tegengaan van mensensmokkel, ondersteunen deze uitleg. Tevens wordt bevestigd dat het bestanddeel 'weten' in art. 197a Sr ook het voorwaardelijk opzet omvat.
De Hoge Raad vernietigt het arrest slechts voor wat betreft de strafoplegging vanwege overschrijding van de redelijke termijn en vermindert de gevangenisstraf met vijf maanden en een week. Het beroep wordt verder verworpen. Het arrest is gewezen door vijf raadsheren onder voorzitterschap van vice-president Koster.
Uitkomst: De verdachte is veroordeeld voor mensensmokkel met vermindering van de gevangenisstraf wegens termijnoverschrijding.