Conclusie
eerste middelklaagt dat het Hof ten onrechte het vonnis heeft bevestigd ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde zinsdeel “terwijl hij, verdachte, wist of ernstige reden had te vermoeden dat de toegang tot Nederland wederrechtelijk was”. Aangevoerd wordt dat de rechtbank de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten nu de rechtbank gehouden was een keuze te maken tussen het "weten" en het "ernstige reden hebben te vermoeden" met betrekking tot de wederrechtelijke toegang, zodat het Hof ten onrechte het vonnis van de rechtbank niet heeft vernietigd.
tweede middelbehelst de klacht dat het Hof het vonnis ten onrechte heeft bevestigd, nu de bewezenverklaring van feit 2, voor zover het de wederrechtelijkheid van de toegang betreft, niet, althans niet zonder meer, uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen, althans dat de omstandigheid dat verzoeker, nadat [betrokkene 1] zich de toegang tot Nederland had verschaft, deze [betrokkene 1] behulpzaam is geweest bij het verblijf, daartoe niet redengevend kan worden geacht.
4.3 Het oordeel van de rechtbank