ECLI:NL:HR:2010:BK3426
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- J.W. Ilsink
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie
In deze zaak stond de duur van de opgelegde gevangenisstraf centraal, waarbij de verdachte in cassatie ging tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage. De Hoge Raad oordeelde dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, in de cassatiefase was overschreden doordat de stukken te laat werden ingezonden en het arrest meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep werd gewezen.
Als gevolg hiervan werd de opgelegde straf verminderd van veertien maanden tot twaalf maanden. Andere middelen van cassatie werden verworpen omdat zij niet voldeden aan de vereisten voor een middel van cassatie. Tevens werd een verzoek om een voorziening te treffen in verband met de wijziging van de vervroegde invrijheidstelling in een voorwaardelijke invrijheidstelling (Wet van 6 december 2007) niet inhoudelijk behandeld omdat het middel niet aan de formele eisen voldeed.
De Hoge Raad benadrukte dat een arrest waarin de straf wordt verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn niet kan worden aangemerkt als een veroordeling tot vrijheidsstraf in de zin van de gewijzigde wetgeving omtrent de voorwaardelijke invrijheidstelling. De bestreden uitspraak werd vernietigd voor zover het de duur van de straf betrof en de straf werd verminderd tot twaalf maanden gevangenisstraf.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot twaalf maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.