ECLI:NL:PHR:2010:BK3426
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn bij fiscale delicten
De zaak betreft een verdachte die als feitelijk leidinggevende van een horecaonderneming meerdere fiscale delicten heeft gepleegd door onjuiste belastingaangiften en onvoldoende administratie, wat leidde tot aanzienlijke benadeling van de overheid. Het hof legde een gevangenisstraf van 20 maanden op, waarvan 6 maanden voorwaardelijk.
De raadsman voerde aan dat de strafmaat niet correct gebaseerd was op de nadeelsberekening en benadrukte de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder faillissement en persoonlijke ontwrichting. De Hoge Raad oordeelde dat de strafmotivering voldoende was en dat de keuze van strafmaat aan de feitenrechter is voorbehouden.
Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn in cassatie was overschreden, wat een strafvermindering rechtvaardigt. Tevens werd ingegaan op de overgangsregeling van de Wet van 6 december 2007 betreffende voorwaardelijke invrijheidstelling, waarbij werd geconcludeerd dat strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn niet mag leiden tot een langere effectieve vrijheidsbeneming dan onder de oude regeling.
Het beroep werd deels gegrond verklaard voor zover het de strafoplegging betreft en de straf werd verminderd, met de bepaling dat de nieuwe wet geen gevolgen heeft voor de tenuitvoerlegging van de verminderde straf. Voor het overige werd het beroep verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn, met behoud van de tenuitvoerlegging onder de oude regeling.