Conclusie
eerste middelklaagt dat het hof heeft nagelaten de inleidende dagvaarding nietig te verklaren in de zaak met parketnummer 01-121701-12 “
nu de akte van uitreiking in het dossier ontbreekt, zodat niet kan worden vastgesteld dat de betekening op de bij de wet voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden.”
dagvaarding verdachte” om te verschijning ter terechtzitting van de politierechter op 21 augustus 2012 om 14:55 uur met vermelding van parketnummer 01-121701-12. De akte van uitreiking houdt in dat op 20 juli 2012 de brief niet is uitgereikt aan het adres “
[a-straat] , [plaats]” omdat niemand aanwezig of bereid was om de brief aan te nemen. Bij diezelfde stukken bevindt zich een kopie van een andere akte van uitreiking die betrekking heeft op hetzelfde parketnummer, en waaruit valt op te maken dat de gerechtelijke brief op 16 augustus 2012 is uitgereikt aan de griffier van de rechtbank te ’s-Hertogenbosch en een afschrift is verzonden naar het op de akte vermelde adres, te weten “
[a-straat]”. Tevens valt uit de akte op te maken dat een afschrift van de gerechtelijke brief is verzonden aan het adres dat de verdachte heeft opgegeven bij gelegenheid van zijn eerste verhoor in de betreffende strafzaak, te weten “
[c-straat] , [plaats]” alsmede “
[d-straat] , [plaats]”.
tweede middelklaagt over de naleving van de verplichting om een afschrift van de appeldagvaarding toe te zenden aan het adres dat de verdachte heeft opgegeven bij het instellen van hoger beroep.
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier ten lande”. De brief van 5 september 2013 waarmee de raadsman van de verdachte hoger beroep heeft doen instellen vermeld echter als adres van de verdachte “
[a-straat] ( [plaats]”. Uit de stukken die aan de Hoge Raad zijn gezonden blijkt niet dat aan dat adres een afschrift van de appeldagvaarding is toegezonden.
[b-straat] [plaats]” waaraan is geprobeerd de appeldagvaarding te betekenen. In zo een geval heeft het hof kennelijk aangenomen, en ook mogen aannemen, dat het in de akte vermelde adres het oude GBA-adres was van de verdachte en dat dit niet kan worden beschouwd als een adres als bedoeld in art. 588a, eerste lid onder c, Sv. [2]
derde middelbehelst de klacht dat het hof de niet-gemachtigde raadsman van de verdachte ter terechtzitting niet heeft gevraagd naar de redenen waarom de verdachte in hoger beroep is gekomen.
Het hof zal het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren, nu hij niet binnen veertien dagen na het instellen van het hoger beroep - en evenmin nadien - een schriftuur houdende grieven heeft ingediend, noch mondeling bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven, en het hof niet van oordeel is dat de strafzaak desalniettemin onderzocht dient te worden.”
Het middel berust op de opvatting dat het ‘mondeling opgeven van bezwaren’ als bedoeld in art. 416, tweede lid, Sv, bij afwezigheid van de verdachte ter terechtzitting, ook kan geschieden door de daar aanwezige, niet tot de verdediging gemachtigde raadsman. Die opvatting is onjuist. Daarop stuit het middel af.” [3]
Het hoger beroep richt zich tegen de veroordelingen welke op genoemde zitting zijn uitgesproken in de zaken met de parketnummers zoals vermeld in de brief mededeling uitspraak die als bijlage wordt bij bijgevoegd. Het hoger beroep richt zich tevens tegen de zaken die zijn gevoegd ter terechtzitting (gev. ttz) alsmede de toegewezen vordering(en) benadeelde partij.”
grieven” of “
bezwaren tegen het vonnis” opgegeven, maar uitsluitend te kennen gegeven tegen welke onderdelen van het vonnis hoger beroep is ingesteld.
de verdachte” bij het instellen van hoger beroep “
grieven” opgeeft dan wel ter terechtzitting “
mondelingen bezwaren” tegen het vonnis opgeeft. Met de letter van de wet is het onverenigbaar dat een niet-gemachtigde raadsman ter terechtzitting namens de verdachte diens mondelinge bezwaren tegen het vonnis opgeeft.