ECLI:NL:HR:2010:BK6071

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 april 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/01703
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 lid 1 Wet vpb 1969Art. 43 EGArt. 56 EGArt. 20b lid 1 Wet vpb 1969
Verwijzingen
10 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling aftrekbeperking deelnemingskosten bij verkoop meerderheidsdeelnemingen buiten EG

Belanghebbende, een vennootschap, vervreemdde in 2000 meerderheidsdeelnemingen in vennootschappen gevestigd in de Verenigde Staten, Canada en Taiwan. De verkoopkosten werden uiteindelijk doorberekend aan belanghebbende. De Inspecteur stelde bij beschikking het verlies vast en weigerde aftrek van deze kosten op grond van artikel 13, lid 1, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

Na bezwaar en beroep bij de Rechtbank en het Gerechtshof te Arnhem werd de weigering bevestigd. Het Hof oordeelde dat de beperking van aftrek niet in strijd is met artikel 56 EG Pro, ook al betreft het kapitaalverkeer met derde landen. Dit oordeel werd in cassatie bevestigd door de Hoge Raad.

De Hoge Raad nam het oordeel van het Hof over dat de beperking valt binnen de materiële werkingssfeer van artikel 43 EG Pro en dat toetsing aan artikel 56 EG Pro niet vereist is. De Hoge Raad volgde hiermee de relevante rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.

De Hoge Raad wees het cassatieberoep af en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de beperking van aftrek van verkoopkosten bevestigd.

Uitspraak

Nr. 09/01703
9 april 2010
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 31 maart 2009, nr. 08/00041, betreffende een beschikking als bedoeld in artikel 20b, lid 1, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.
1. Het geding in feitelijke instanties
De Inspecteur heeft, gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag in de vennootschapsbelasting van belanghebbende voor het jaar 2002, het bedrag van het verlies van dat jaar bij beschikking vastgesteld. De beschikking is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.
De Rechtbank te Arnhem (nr. AWB 06/2645) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 19 november 2009 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende heeft in 2000 drie deelnemingen vervreemd. Het betrof belangen van 70,3, 100 en 100 percent in vennootschappen gevestigd in respectievelijk de Verenigde Staten, Canada en Taiwan. De bij de verkoop gemaakte (advies)kosten zijn aanvankelijk in rekening gebracht aan een met belanghebbende gelieerde vennootschap. In 2002 zijn de kosten voor een bedrag van € 8.255.740 doorberekend aan belanghebbende. In 2003 is aan belanghebbende nog een bedrag van € 1.285.480 doorberekend.
3.2. Voor het Hof was onder meer in geschil of de uit artikel 13, lid 1, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (tekst tot 2004, hierna: de Wet) voortvloeiende uitsluiting van de aftrek van vorengenoemde verkoopkosten in strijd is met artikel 56 EG Pro. Het Hof heeft die vraag in ontkennende zin beantwoord. De middelen keren zich tegen dat oordeel.
3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende een beslissende invloed op de besluiten van de betrokken deelnemingen kon uitoefenen en de activiteiten ervan kon bepalen. Uitgaande van dit in cassatie onbestreden oordeel heeft het Hof met juistheid overwogen dat de onderhavige toepassing van artikel 13, lid 1, van de Wet een beperking is die binnen de materiële werkingssfeer van artikel 43 EG Pro valt, in aanmerking genomen dat deze regeling gelet op haar voorwerp - het voorkomen van dubbele belasting in deelnemingsverhoudingen - zowel onder artikel 43 EG Pro (vrijheid van vestiging) als onder artikel 56 EG Pro (vrijheid van kapitaalverkeer) kan vallen. In zulk een geval rechtvaardigt die beperking niet dat de maatregel waaruit zij voortvloeit, wordt getoetst aan de artikelen 56 EG tot en met 58 EG, ook niet indien het betreft kapitaalverkeer met derde landen. Vorenstaande uitleg van artikel 56 EG Pro strookt met de rechtspraak van het Hof van Justitie (vergelijk de rechtspraak genoemd in HR 26 september 2008, nr. 43339, LJN BF2266, BNB 2009/24, en HvJ 4 juni 2009, KBC Bank NV en BRB NV, C-439/07 en C-499/07, V-N 2009/35.17, HvJ 18 juni 2009, Aberdeen, C-303/07, V-N 2009/31.11, HvJ 17 september 2009, Glaxo Wellcome, C-182/08, V-N 2009/47.20, en HvJ 21 januari 2010, SGI, C-311/08). De middelen falen derhalve.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer P. Lourens als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck, J.A.C.A. Overgaauw, P.M.F. van Loon en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2010.