ECLI:NL:HR:2010:BL1720
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.W. Ilsink
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie
In deze zaak stond het beroep in cassatie centraal tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage. De verdachte, die destijds in voorlopige hechtenis zat, had beroep ingesteld tegen zijn veroordeling. De Hoge Raad oordeelde dat het middel van cassatie niet tot vernietiging kon leiden, behalve voor wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf.
De Advocaat-Generaal had geconcludeerd tot verwerping van het beroep, maar de Hoge Raad stelde ambtshalve vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM was overschreden, aangezien meer dan zestien maanden waren verstreken na het instellen van het cassatieberoep.
Hierdoor werd de gevangenisstraf van elf jaar verminderd tot tien jaar en zeven maanden. De Hoge Raad verwierp het beroep voor het overige en bevestigde daarmee het overige oordeel van het hof. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren op 30 maart 2010.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd tot tien jaar en zeven maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.