Conclusie
eerste middelbevat de klacht dat het hof heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van een door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt en/of dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte als houder zijn hond de nodige zorg heeft onthouden. Het middel doelt op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat niet kan worden vastgesteld dat de hond feitelijk een aantal uren van water verstoken is gebleven en dat het tijdelijk op zijn beloop laten van de nodige zorg door het niet geven van drinkwater “nog geen opzettelijke structurele dierverwaarlozing c.q. benadeling van het welzijn van de hond in de zin van de wet in concreto oplevert”.
tweede middelis gericht tegen de weerlegging van een beroep op psychische overmacht waarvan gesteld wordt dat het hof deze ontoereikend en/of onbegrijpelijk heeft gemotiveerd.