ECLI:NL:HR:2010:BM3975
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid rechter tot bevel aan UWV tot instemming met schuldregeling ondanks wettelijke beperkingen
In deze zaak verzocht de schuldenaar de rechtbank op grond van artikel 287a Faillissementswet (F.) UWV te bevelen mee te werken aan een minnelijk akkoord waarbij slechts een deel van de schulden wordt betaald. UWV weigerde mee te werken vanwege wettelijke bepalingen in de Werkloosheidswet (WW) en Ziektewet (Zw) die terugvordering van onverschuldigde uitkeringen verplichten en medewerking aan buitengerechtelijke schuldregelingen beperken.
De rechtbank en het hof wezen het verzoek toe, waarbij het hof oordeelde dat de rechter op grond van artikel 287a F. bevoegd is te beoordelen of de weigering van een schuldeiser onredelijk is, waarbij ook belangen van andere schuldeisers worden betrokken. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat de wettelijke beperkingen voor UWV niet automatisch gelden voor de rechter, die een belangenafweging maakt tussen het belang van UWV, de schuldenaar en overige schuldeisers.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat de per 19 december 2008 ingevoerde bepalingen over de bevoorrechting van UWV-vorderingen geen onmiddellijke werking hebben ten aanzien van lopende schuldregelingen, maar dat eerbiedigende werking geldt vanaf het moment dat schuldeisers instemmen met het akkoord. Dit voorkomt dat eerdere instemmingen worden aangetast door latere wetswijzigingen.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van UWV en bevestigt het oordeel van het hof dat UWV in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen gezien de onevenredigheid van belangen. De uitspraak benadrukt het belang van een evenwichtige schuldsaneringsregeling waarbij de rechter een centrale rol speelt in het beoordelen van weigeringen van schuldeisers.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de rechter UWV kan bevelen mee te werken aan een schuldregeling ondanks wettelijke beperkingen.