Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Tussen partijen vaststaande feiten
3.Geschil in hoger beroep
4.Het oordeel van de rechtbank
Beoordeling van het geschil
Gerechtshof Amsterdam
Belanghebbende was in 2013 werkzaam op een binnenschip binnen de EU en diende een aangifte inkomstenbelasting in met een verzoek om vrijstelling van premieheffing volksverzekeringen. De inspecteur legde een aanslag op zonder vrijstelling, waarop belanghebbende bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het hoger beroep bevestigt dit oordeel.
Centrale in deze zaak is de A1-verklaring die de Sociale Verzekeringsbank (SVB) heeft afgegeven, waarin staat dat de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving van toepassing is op belanghebbende voor 2013. Ondanks dat belanghebbende de juistheid van deze verklaring betwistte en er procedures liepen, oordeelt het hof dat de inspecteur en belastingrechter gebonden zijn aan de inhoud van de A1-verklaring zolang deze niet is ingetrokken of vernietigd.
Het hof verwijst naar relevante jurisprudentie van de Hoge Raad die bevestigt dat bezwaar en beroep tegen een A1-verklaring geen schorsende werking hebben. Ook de door belanghebbende aangevoerde schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur worden verworpen. De rechtbank en het hof oordelen dat de aanslag correct is opgelegd en dat belanghebbende geen recht heeft op vrijstelling van premieheffing. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de premieplicht onder de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving bevestigd.