ECLI:NL:HR:2010:BM9784

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/00494
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:662 BWArt. 81 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering schadevergoeding verlies dienstauto bij overgang onderneming

In deze zaak stond centraal de vordering van eiser tot vergoeding van schade als gevolg van het verlies van een dienstauto bij de overgang van onderneming. De vordering werd afgewezen op basis van het sociaal plan dat van toepassing was. De Hoge Raad bevestigde de toepasselijkheid van artikel 7:662 en Pro volgende van het Burgerlijk Wetboek, die de rechten van werknemers bij overgang van onderneming regelen.

Het geding in de feitelijke instanties betrof een vonnis van de kantonrechter te Amsterdam en een arrest van het gerechtshof Amsterdam, waarin de vordering werd verworpen. Eiser stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof. De Advocaat-Generaal adviseerde tot verwerping van het beroep.

De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten onvoldoende waren om tot cassatie te leiden en dat geen nadere motivering nodig was, mede omdat de klachten niet relevant waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het beroep werd derhalve verworpen en eiser werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen en de vordering tot schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

17 september 2010
Eerste Kamer
09/00494
DV/IS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. M.E.M.G. Peletier,
t e g e n
UITVOERINGSINSTITUUT WERKNEMERSVERZEKERINGEN,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. R.A.A. Duk.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en het UWV.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak CV 06-21518 van de kanton-rechter te Amsterdam van 12 april 2007;
b. het arrest in de zaak 106.007.077/01 van het gerechtshof te Amsterdam van 28 oktober 2008.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het UWV heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van het UWV begroot op € 384,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 17 september 2010.