ECLI:NL:HR:2010:BN1728
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- J. de Hullu
- H.A.G. Splinter-van Kan
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt bewijsminimum bij één getuige in openbare schenniszaak
De zaak betreft een veroordeling van verdachte voor het zich opzettelijk oneerbaar op een openbare plaats bevinden met ontbloot geslachtsdeel in Waalwijk op 27 december 2006. De bewezenverklaring berustte voornamelijk op de verklaring van het slachtoffer, een 9-jarig meisje, en haar vader, aangevuld met verklaringen van andere betrokkenen en de verdachte zelf.
De verdachte voerde in hoger beroep aan dat de verklaring van het slachtoffer onvoldoende wettig bewijs vormde en dat er sprake was van inconsistenties. Het hof oordeelde echter dat de verklaring van het slachtoffer betrouwbaar was, mede vanwege het studioverhoor door gecertificeerde zedenrechercheurs en de herkenning van de verdachte door het slachtoffer. De verklaring van de verdachte zelf ondersteunde bovendien het verhaal van het slachtoffer.
In cassatie stelde de verdachte dat het hof ten onrechte uitsluitend op de verklaring van één getuige had gesteund, in strijd met art. 342, tweede lid, Sv. De Hoge Raad bevestigde dat deze bepaling vereist dat een verklaring van één getuige niet zonder voldoende steun in ander bewijsmateriaal kan leiden tot een bewezenverklaring. In dit geval vond de Hoge Raad dat het hof voldoende steun in het overige bewijsmateriaal had gevonden en het bewijsminimum was gehaald.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee het arrest van het hof. Dit arrest benadrukt het belang van een zorgvuldige motivering van het bewijsminimum bij verklaringen van één getuige, en bevestigt dat in concrete gevallen het hof een afweging moet maken of het bewijs voldoende is.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling wegens openbare schennis op basis van voldoende bewijs.