ECLI:NL:HR:2010:BN8234
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- W.M.E. Thomassen
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aftrek aanschafkosten auto bij ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel
In deze zaak stond een beroep in cassatie centraal tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Betrokkene stelde dat de aanschafkosten van zijn inbeslaggenomen auto, die volgens hem werd gebruikt bij het plegen van de strafbare feiten, in mindering gebracht moesten worden op het te ontnemen bedrag.
Het Hof oordeelde dat voor aftrek van deze aanschafkosten geen plaats was omdat niet aannemelijk was geworden dat de auto als opbrengst van de strafbare feiten kon worden aangemerkt. De enkele stelling dat de feiten met behulp van de auto zijn gepleegd, bracht volgens het Hof geen directe relatie met de aanschafkosten mee.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep omdat het aangevoerde niet voldeed aan de eis dat de aanschafkosten in directe relatie moeten staan tot de bewezen feiten. Het arrest werd gewezen door de vice-president Koster en raadsheren Thomassen en Loth op 16 november 2010.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de aanschafkosten van de auto niet in mindering mogen worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel.