Conclusie
Kosten
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak gaat het om de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een betrokkene die een illegale lotto organiseerde en veroordeeld werd voor meerdere strafbare feiten, waaronder het medeplegen van overtreding van de Wet op de kansspelen en witwassen. De betrokkene had niet voldaan aan zijn fiscale verplichtingen omtrent loonbelasting en kansspelbelasting, wat leidde tot naheffingsaanslagen en een vaststellingsovereenkomst met de Belastingdienst.
Het hof had bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel de alsnog betaalde bedragen aan loon- en kansspelbelasting in mindering gebracht, omdat deze kosten in directe relatie stonden tot het delict. Het openbaar ministerie stelde in cassatie dat dit onterecht was, omdat deze belastingen pas na voltooiing van het delict waren betaald en niet noodzakelijk waren voor het plegen ervan.
De Hoge Raad verwierp dit middel en bevestigde dat ook kosten die na het delict zijn betaald, als kosten in directe relatie tot het delict kunnen worden aangemerkt. Daarbij is niet vereist dat de kosten noodzakelijk waren om het delict te plegen, maar dat zij reëel en redelijk zijn en daadwerkelijk samenhangen met het delict. Het arrest van 17 februari 1998, dat ziet op inkomstenbelasting over het wederrechtelijk verkregen voordeel, staat hieraan niet in de weg, omdat loon- en kansspelbelasting niet over het voordeel zelf worden geheven en het fiscale correctiemechanisme hier niet van toepassing is.
De Hoge Raad benadrukt dat de rechter bij de bepaling van het voordeel een ruime beoordelingsvrijheid heeft en dat het hof niet onjuist heeft geoordeeld door de betaalde belastingen als kosten in mindering te brengen. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat betaalde loon- en kansspelbelasting als kosten in directe relatie tot het delict in mindering mogen worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel.