Conclusie
middelbehelst in de eerste plaats de klacht dat het hof het openbaar ministerie ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard, omdat de betrokkene is vervolgd voor een strafbaar feit dat eerder reeds heeft geleid tot de oplegging van een (bestuurlijke) sanctie. In de tweede plaats bevat het middel de klacht dat het oordeel van het hof dat de kosten die voortvloeien uit een aan het UWV terug te betalen bedrag aan ontvangen WW-uitkering en een door het UWV oplegde bestuurlijke boete, niet in mindering worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel, van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans ontoereikend is gemotiveerd.
NJ2017/152. In die zaak was het wederrechtelijk verkregen voordeel onder meer gebaseerd op de bewezen verklaarde sociale zekerheidsfraude, terwijl door de gemeente een bedrag aan teveel ontvangen uitkering was teruggevorderd. [5] Ook de vergelijking met de zaak die leidde tot het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3264,
NJ2016/57 m.nt. Reijntjes gaat mank. Het openbaar ministerie had in deze zaak beroep in cassatie ingesteld en klaagde over de beslissing van het hof om kosten in de vorm van betaalde loon- en kansspelbelasting in mindering te brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene was in de hoofdzaak veroordeeld voor de overtreding van de Wet op de kansspelen in de vorm van het organiseren van een illegale lotto. Volgens de Hoge Raad getuigde het oordeel van het hof dat de desbetreffende bedragen aan loon- en kansspelbelasting in mindering dienden te worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting en kon het hof oordelen dat deze belasting in een directe relatie stond tot het delict. In die zaak ging het om naheffingen die rechtstreeks waren gerelateerd aan de activiteiten en opbrengsten in het kader van de illegale lotto. Zoals gezegd, is dat verband in de onderhavige zaak veel minder duidelijk. De omstandigheid dat het UWV als gevolg van de onderhavige zaak actie heeft ondernomen, brengt nog niet mee dat het hof een directe relatie behoefde aan te nemen tussen het terug te betalen bedrag aan WW-uitkering en de boete aan de ene kant en de bewezen verklaarde hennepteelt aan de andere kant. Daarbij komt dat het in de zaak uit 2015 ging om een OM-cassatie en dat bij de toetsing in cassatie de vrijheid van de feitenrechter te bepalen of hij rekening wil houden met kosten die voor aftrek in aanmerking komen moet worden gerespecteerd.