Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2010:BN8387

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 november 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/02290
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 359a SvArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt arrest wegens onvoldoende onderzoek Salduz-verweer

In deze zaak stond centraal of het hof voldoende had onderzocht of verdachte was gewezen op zijn recht op raadpleging van een advocaat voorafgaand aan het eerste politieverhoor, en of hem de gelegenheid was geboden van dat recht gebruik te maken of dat hij ondubbelzinnig afstand had gedaan. De Hoge Raad herhaalt de relevante overwegingen uit het eerdere arrest LJN BH3079 en benadrukt dat het hof dit onderzoek had moeten verrichten.

Het hof had het Salduz-verweer verworpen zonder te motiveren dat aan deze vereisten was voldaan. Dit wordt door de Hoge Raad als een ontoereikende motivering aangemerkt. Het arrest van het hof wordt daarom vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar het hof te 's-Gravenhage voor hernieuwde berechting op het bestaande hoger beroep.

De Hoge Raad bevestigt dat een verdachte vóór het eerste verhoor gewezen moet worden op zijn recht op advocaat en dat, tenzij ondubbelzinnig afstand is gedaan of er dwingende redenen zijn, de verdachte binnen redelijke grenzen de gelegenheid moet krijgen dit recht te verwezenlijken. Het niet bieden van deze gelegenheid vormt een vormverzuim met mogelijke bewijsuitsluiting.

De zaak betreft een beroep in cassatie tegen een arrest van het hof uit april 2009, waarbij het Salduz-verweer werd verworpen. De Hoge Raad volgt de conclusie van de Advocaat-Generaal en vernietigt het arrest. De beslissing is gewezen door de vice-president en raadsheren op 30 november 2010.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.

Uitspraak

30 november 2010
Strafkamer
Nr. 09/02290
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 29 april 2009, nummer 22/000016-09, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.A. van der Horst, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het eerste middel
2.1. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd een in hoger beroep tot bewijsuitsluiting strekkend verweer heeft verworpen.
2.2. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer in het bestreden arrest als volgt samengevat en verworpen:
"Het vonnis waarvan beroep
De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof niet gebracht tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van de eerste rechter met de hierna te melden aanvulling.
Het door de raadsman gevoerde verweer dat de bekennende politieverklaring d.d. 11 januari 2006 van de verdachte gelet op de uitspraak van het EHRM 36391/02 (Salduz tegen Turkije) niet voor het bewijs mag worden gebruikt, nu deze is afgelegd in afwezigheid van een raadsman, wordt verworpen. Die uitspraak biedt naar 's hofs oordeel niet een algemeen geldende aanspraak op de aanwezigheid van een raadsman bij het eerste politieverhoor. Het hof is van oordeel dat artikel 6 EVRM Pro niet is geschonden, nu de verdachte niet om vooroverleg met een raadsman had gevraagd en geen bijzonder kwetsbare persoon is, terwijl de piketregeling een spoedige bijstand van een advocaat effectief regelt."
2.3. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 30 juni 2009 (LJN BH3079, NJ 2009/349) het volgende overwogen:
"2.5. De Hoge Raad leidt uit de rechtspraak van het EHRM af dat een verdachte die door de politie is aangehouden, aan art. 6 EVRM Pro een aanspraak op rechtsbijstand kan ontlenen die inhoudt dat hem de gelegenheid wordt geboden om voorafgaand aan het verhoor door de politie aangaande zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit een advocaat te raadplegen. Uit de rechtspraak van het EHRM kan echter niet worden afgeleid dat de verdachte recht heeft op de aanwezigheid van een advocaat bij het politieverhoor.
Het vorenoverwogene brengt mee dat de aangehouden verdachte vóór de aanvang van het eerste verhoor dient te worden gewezen op zijn recht op raadpleging van een advocaat. Behoudens in het geval dat hij uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend doch in elk geval ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van dat recht, dan wel bij het bestaan van dwingende redenen als door het EHRM bedoeld, zal hem binnen de grenzen van het redelijke de gelegenheid moeten worden geboden dat recht te verwezenlijken.
(...)
2.7.1. Indien een aangehouden verdachte niet dan wel niet binnen redelijke grenzen de gelegenheid is geboden om voorafgaand aan het eerste verhoor door de politie een advocaat te raadplegen, levert dat in beginsel een vormverzuim op als bedoeld in art. 359a Sv.
2.7.2. Gelet op de uitleg die in HR 30 maart 2004, LJN AM2533, NJ 2004, 376 aan deze bepaling is gegeven, moet de rechter, indien ter zake verweer wordt gevoerd, beoordelen of aan een verzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Daarbij dient hij rekening te houden met de in het tweede lid van art. 359a Sv genoemde factoren. Het rechtsgevolg zal immers door deze factoren moeten worden gerechtvaardigd. Een van die factoren is "de ernst van het verzuim". Op grond van de rechtspraak van het EHRM moet worden aangenomen dat in gevallen waarvan hier sprake is, een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden. Daarom zal, mede gelet op de overwegingen van het EHRM in (...) § 55, na een daartoe strekkend verweer het in 2.7.1 omschreven vormverzuim in de regel - dus afgezien van hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de door de verdachte gedane afstand van het recht om een advocaat te raadplegen alsmede de door het EHRM gereleveerde dwingende redenen - dienen te leiden tot uitsluiting van het bewijs van de verklaringen van de verdachte die zijn afgelegd voordat hij een advocaat kon raadplegen."
2.4. Gelet op dat arrest had het Hof er blijk van moeten geven te hebben onderzocht of de verdachte is gewezen op zijn recht op raadpleging van een advocaat voorafgaand aan het eerste politieverhoor en of hem de gelegenheid is geboden
van dat recht gebruik te maken dan wel of hij daarvan ondubbelzinnig afstand heeft gedaan. Nu het Hof dat heeft nagelaten, is de verwerping van het verweer ontoereikend gemotiveerd. Het middel klaagt daarover terecht.
3. Beoordeling van het tweede middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Slotsom
Het vorenoverwogene brengt mee dat als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en M.A. Loth, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 30 november 2010.