ECLI:NL:HR:2011:BP0058

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/00107
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 81 RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 8 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering geldboete wegens overschrijding redelijke termijn in cassatiezaak

In deze strafzaak heeft de Hoge Raad op 26 april 2011 uitspraak gedaan over het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem. Het beroep richtte zich onder meer op de hoogte van de opgelegde geldboete en de duur van de vervangende hechtenis.

De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest uitsluitend voor zover het de geldboete betreft, met een voorstel tot vermindering van de boete en de hechtenis, en tot verwerping van het beroep voor het overige. De Hoge Raad volgt dit advies en vernietigt het arrest alleen met betrekking tot de hoogte van de geldboete en de duur van de vervangende hechtenis.

De Hoge Raad constateert dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro is overschreden, aangezien meer dan twee jaar zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidt tot vermindering van de geldboete van €10.000,- naar €9.500,- en vermindering van de vervangende hechtenis tot 76 dagen. Voor het overige wordt het beroep verworpen.

De uitspraak is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en is definitief.

Uitkomst: De geldboete wordt verminderd tot €9.500,- en de vervangende hechtenis tot 76 dagen wegens overschrijding van de redelijke termijn; het cassatieberoep wordt verder verworpen.

Uitspraak

26 april 2011
Strafkamer
nr. 09/00107
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 18 december 2008, nummer 21/001475-08, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1943, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. R. de Bree en mr. P.M. van Russen Groen, beiden advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, doch alleen voor zover het de aan de verdachte opgelegde geldboete betreft, tot vermindering van die geldboete en tot verwerping van het beroep voor het overige.
1.2. Mr. De Bree heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2. Beoordeling van de middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde geldboete van € 10.000,-, subsidiair 80 dagen hechtenis.
4. Slotsom
Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 3 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete en de duur van de vervangende hechtenis;
vermindert de geldboete in die zin dat deze € 9.500,- bedraagt;
vermindert de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze 76 dagen beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 26 april 2011.