Conclusie
eersteen het
tweedemiddel bevatten bewijsklachten inzake het onder 1 primair bewezenverklaarde. Het
derdemiddel bevat bewijsklachten inzake het onder 2 bewezenverklaarde.
Overweging met betrekking tot het bewijs van de feiten 1 (primair) en 2
1.Geen vrijwillig vertrek uit de woning
2.Wijze van overlijden
3.Betrokkenheid verdachte
4.Opzet op de dood
5.Vrijspraak voorbedachten rade en medeplegen
6.Conclusie
1.Geen vrijwillig vertrek uit de woning
nietwilde verlaten en dat zij (al gekleed in haar pyjama of huispak) voornemens was naar bed te gaan. Door [slachtoffer] is op verschillende momenten expliciet tegen genoemde getuigen gezegd dat zij naar bed zou gaan en/of niet meer naar buiten zou gaan.
2.Wijze van overlijden
3.Betrokkenheid verdachte
4.Opzet op de dood
5.Vrijspraak voorbedachten rade en medeplegen
6.Conclusie
eerstemiddel bevat de klacht dat het oordeel van het hof dat de verdachte zijn echtgenote van het leven heeft beroofd door geweld op het hoofd en/of lichaam van zijn echtgenote uit te oefenen, onvoldoende steun vindt in de bewijsmiddelen, aangezien daaruit niet kan worden afgeleid dat de echtgenote van de verdachte is overleden, dat de verdachte in dat overlijden de hand heeft gehad en dat het overlijden is veroorzaakt door het uitoefenen van geweld op het hoofd en/of het lichaam van de echtgenote van de verdachte. Uit de bewijsmotivering zouden vooral vermoedens blijken; de overtuigende bevestiging daarvan zou in de bewijsmotivering ontbreken. Het hof zou niet buiten redelijke twijfel hebben vastgesteld dat de hypothese die ten grondslag ligt aan de bewezenverklaring, het juiste scenario weergeeft (in het licht van mogelijke alternatieve scenario’s). Het is volgens de steller van het middel nog steeds de vraag of het slachtoffer is overleden, of zij op 10 januari 2010 door geweld om het leven is gekomen, of de levensberoving in de echtelijke woning in [plaats] heeft plaatsgevonden en of de verdachte degene is geweest die dat (opzettelijk) heeft gedaan.
formidable case’ in die zin dat de zaak bewijsbaar moet zijn zonder rekening te houden met het stilzwijgen van de verdachte. [4] Dat ligt naar het mij voorkomt niet anders bij een verklaring van de verdachte die naar het oordeel van de rechter onaannemelijk of onwaar is gebleken. [5]
tweedemiddel bevat de klacht dat het oordeel van het hof dat de verdachte zijn echtgenote ‘opzettelijk’ van het leven heeft beroofd, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is, in aanmerking genomen dat uit de bewijsconstructie niet volgt dat (en zo ja, op welke wijze) de echtgenote van de verdachte is overleden en dat de intentie van de verdachte (al dan niet in voorwaardelijke vorm) gericht was op het doden van zijn echtgenote. Aangevoerd wordt dat het hof niet heeft vastgesteld dat het slachtoffer is overleden, dat geweld tegen het hoofd of het lichaam de oorzaak van het overlijden is, en welke rol de verdachte daarbij mogelijk zou hebben gespeeld. Uit de overwegingen van het hof zou voorts niet kunnen worden afgeleid dat het hof aan de voor het bewijs van opzet te hanteren maatstaven heeft getoetst en evenmin dat het hof bij de beantwoording van de vraag of er sprake is geweest van (voorwaardelijk) opzet de juiste maatstaf op een juiste en begrijpelijke wijze heeft toegepast. De steller van het middel voert in dat verband aan dat het hof niet heeft vastgesteld welke gedraging van de verdachte tot de (veronderstelde) dood van het slachtoffer heeft geleid, en daardoor ook niet heeft vastgesteld dat er (als gevolg van het handelen van de verdachte) een situatie ontstond waarin sprake was van een aanmerkelijke kans op overlijden. Ook zou uit de bewijsmiddelen niet blijken dat de verdachte de aanmerkelijke kans op overlijden ten tijde van de (onbekend gebleven) gedraging bewust heeft aanvaard.
derdemiddel bevat de klacht dat het oordeel van het hof dat de verdachte het stoffelijk overschot van het slachtoffer heeft weggemaakt, onvoldoende steun vindt in de bewijsmiddelen, nu deze niets inhouden waaruit volgt dat het slachtoffer daadwerkelijk is overleden en dat de verdachte het lichaam heeft onttrokken aan nasporing op een wijze die als ‘wegmaken’ in de zin van artikel 151 Sr Pro kan worden aangemerkt. De steller van het middel voert daartoe aan dat onder ‘wegmaken’ dient te worden verstaan: het doen verdwijnen. En dat deze delictsgedraging moet worden onderscheiden van de andere in artikel 151 Sr Pro genoemde handelingen, te weten: begraven, verbranden, vernietigen, verbergen en wegvoeren. In dit geval blijkt uit de bewijsmiddelen niet wat er met het slachtoffer is gebeurd, aldus de steller van het middel.