ECLI:NL:HR:2011:BP5162
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- J.W. Ilsink
- J. de Hullu
- C.H.W.M. Sterk
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt uitspraak wegens onjuiste aftrek van toegekende vordering bij profijtontneming
In deze cassatieprocedure stond de toepassing van art. 36e, zesde lid, Wetboek van Strafrecht centraal, dat bepaalt dat in rechte toegekende vorderingen van benadeelde derden in mindering moeten worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene was door de rechtbank veroordeeld voor meerdere strafbare feiten, waaronder medeplegen van handelen in strijd met de Opiumwet, en de rechtbank had tevens een vordering van de benadeelde partij [A] BV toegewezen voor schade aan twee locaties.
Het hof had het wederrechtelijk verkregen voordeel berekend op basis van oogsten hennepplanten op een van de locaties, maar had nagelaten om te onderzoeken of de reeds toegekende vordering van [A] BV gedeeltelijk in mindering moest worden gebracht op dit voordeel. De Hoge Raad oordeelde dat het hof dit had moeten doen, omdat anders het risico bestaat dat het wederrechtelijk verkregen voordeel dubbel wordt teruggevorderd.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof en verwees de zaak terug voor hernieuwde berechting. Het beroep van de betrokkene werd voor het overige verworpen. Hiermee werd bevestigd dat bij ontnemingsvorderingen de rechter zorgvuldig moet toetsen of toegekende schadevergoedingen in mindering worden gebracht op het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor hernieuwde berechting vanwege onvoldoende onderzoek naar aftrek van toegekende vordering op het wederrechtelijk verkregen voordeel.