Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het hof bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel ten onrechte geen rekening heeft gehouden met kosten die zijn verbonden aan een door de betrokkene betaalde schadevergoeding en de in dat verband gemaakte kosten voor rechtsbijstand, althans dat het zijn beslissing in zoverre ontoereikend heeft gemotiveerd.
tweede middelbehelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, is uitgegaan van vier oogsten.
derde middelklaagt over het oordeel van het hof dat het standpunt van de raadsman van de betrokkene dat de helft van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden toegerekend aan [betrokkene 1] feitelijke grondslag mist.
vierde middelbevat de klacht dat het hof zonder motivering is voorbijgegaan aan de berekening van de raadsman, zoals overgelegd ter zitting van 11 juni 2014. Voor zover het middel tot uitgangspunt neemt dat het hof zijn oordeel ten aanzien van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet heeft gemotiveerd, berust het op een verkeerde lezing van de bestreden uitspraak en faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft in de verkorte uitspraak en in de aanvulling bewijsmiddelen de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel gemotiveerd. Voor zover het hof is afgeweken van de berekening van de raadsman, liggen de redenen van die afwijking besloten in de bewijsvoering van het hof. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden.