ECLI:NL:HR:2011:BQ6709
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- C.H.W.M. Sterk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van handelingen mede bestaand uit seksueel binnendringen volgens art. 243 Sr
De verdachte werd ten laste gelegd dat hij in augustus 2006 te Dordrecht met een slachtoffer met een geestelijke stoornis handelingen had verricht die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van het slachtoffer, waaronder het sturen van msn-berichten, meenemen naar zijn woning, het uiten van seksuele verlangens, neerleggen op een bed, masturbatie in bijzijn van het slachtoffer en penetratie.
Het Hof verklaarde deze handelingen bewezen en kwalificeerde alle genoemde gedragingen als handelingen die mede bestonden uit seksueel binnendringen in de zin van art. 243 Sr Pro. De verdachte stelde in cassatie dat het Hof ten onrechte ook de niet-penetratieve handelingen als zodanig had aangemerkt.
De Hoge Raad bevestigde dat niet alle bewezenverklaarde handelingen als mede bestaand uit seksueel binnendringen kunnen worden aangemerkt en dat het Hof een te ruime uitleg hanteerde. Echter, omdat de aard en ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel niet door deze gedragingen werden bepaald, had de verdachte geen belang bij zijn klacht.
Het cassatieberoep werd daarom verworpen. De Hoge Raad herhaalde tevens zijn eerdere jurisprudentie over de uitleg van art. 243 Sr Pro, waarbij handelingen die voorafgaan, volgen op of gepaard gaan met seksueel binnendringen onder dit artikel vallen.
Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatieberoep en bevestigt veroordeling voor handelingen mede bestaand uit seksueel binnendringen.