Conclusie
mishandeling” en 2. “
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel aan een ander toebehoort vernielen en onbruikbaar maken” is veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden, waarvan één maand voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft de rechtbank een taakstraf opgelegd voor de duur van 80 uren, te vervangen door 40 dagen hechtenis. Tevens heeft de rechtbank de teruggave gelast van een tweetal onder de verdachte inbeslaggenomen voorwerpen, een en ander zoals nader in het vonnis omschreven. Ten slotte heeft de rechtbank het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven. Het hof heeft ten aanzien van de benadeelde partij de vordering tot een bedrag van € 2.102,03 toegewezen, bestaande uit € 1.702,03 materiële schade en € 400,00 immateriële schade, en tevens een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals omschreven in het arrest.
eerste middelklaagt over de motivering van de bewezenverklaring.
opzettelijkheeft mishandeld door aan haar te
“rukken/duwen tengevolge waarvan zij ten val kwam”.
door het duwen en trekken” alsook de verklaring van het slachtoffer dat zij op de grond viel, zijn, zonder nadere motivering die ontbreekt, onvoldoende grond voor het oordeel dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer daardoor ten val zou komen en daardoor pijn en letsel zou ondervinden. Anders dan slaan of schoppen levert duwen en of rukken – gelet op hetgeen de algemene ervaring leert – niet zonder meer pijn en/of letsel op. [2]
het rukken/duwen van [betrokkene] tengevolge waarvan zij ten val kwam” niet zonder meer kan worden afgeleid uit de inhoud van de gebezigde bewijsvoering, is de bestreden uitspraak niet toereikend gemotiveerd. Voor zover het middel daarover klaagt, is het terecht voorgesteld. Nu de aard en ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd niet worden bepaald door evenvermelde gedragingen, kan de Hoge Raad de bewezenverklaring in zoverre verbeterd lezen. [3]
tweede middelkomt op tegen de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en valt uiteen in drie klachten.
“Vordering van de benadeelde partij [betrokkene]
Vordering van de benadeelde partij [betrokkene]
2.102,03 (tweeduizend honderdtwee euro en drie cent) bestaande uit € 1.702,03 (duizend zevenhonderdtwee euro en drie cent) materiële schade en€
400,00 (vierhonderd euro) immateriële schadeen veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.
2.102,03 (tweeduizend honderdtwee euro en drie cent) bestaande uit € 1.702,03 (duizend zevenhonderdtwee euro en drie cent) materiële schade en € 400,00 (vierhonderd euro) immateriële schade,bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 31
(eenendertig) dagen hechtenis,met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
een causale relatie tussen het delict en de opgegeven schade uiterst dubieus is”.
posttraumatische stress-stoornisalsook een
eenmalige matige depressie.
gederfde inkomsten” als onderdeel van de materiële schade ontoereikend is gemotiveerd op de grond dat het causale verband noch het schadebedrag zijn onderbouwd.
vanwegede mishandeling slechts € 41,80 aan salaris te hebben ontvangen. [6]
kosten van rechtsbijstandten onrechte heeft vermeerderd met de wettelijke rente alsmede dat over deze kosten de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr is opgelegd. Aldus constateer ik dat het middel niet klaagt over de door het hof opgelegde vermeerdering met de wettelijke rente van het schadebedrag in zijn geheel, zonder dat deze door de benadeelde partij is gevorderd. [7]